18 en 19 september 2012
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Macht en kracht: zorgrelaties in verandering

posters

Dinsdag 18 september 2012 13u30-14u30
P01  
NokNok, het klopt in mijn hoofd. Gezondheidspromotie bij jongeren van 12 tot 16 jaar
Kim Schutters
, stafmedewerker geestelijke gezondheidspromotie, Vlaams Instituut voor gezondheidspromotie en Ziektepreventie, Laken

www.noknok.be is een nieuwe website voor jongeren van 12 tot 16 jaar in het kader van geestelijke gezondheidsbevordering. Op deze website kunnen jongeren informatie, tips en tools vinden om hun eigen geestelijke gezondheid te versterken. Centraal staan de vier knaltips, namelijk ik (k) en mezelf, mijn grenzen, reken op anderen en tijd voor mezelf, die gebaseerd zijn op de beschermende factoren voor geestelijke gezondheid.. Daarnaast vinden jongeren er een woordwolk vol thema’s die hen bezighouden, met achter elk woord eveneens leuke tips, filmpjes en opdrachten. Jongeren krijgen er concrete handvatten aangereikt om hun protectieve factoren voor geestelijke gezondheid verder uit te bouwen en zich zo beter te wapenen tegen risicofactoren.
De website is een zelfeducatie-tool bedoeld voor jongeren die zich even niet goed voelen of met een dipje kampen. Jongeren die kampen met psychische problemen vinden hier de nodige info en worden gericht doorverwezen naar (laagdrempelige) hulpverlening. Naast de online tool is er ook een inspiratiegids om lokaal in jeugddiensten, jeugdverenigingen, scholen,… aan de slag te gaan rond het thema geestelijke gezondheid. Op deze manier kunnen ook jongeren die hun weg niet vinden naar de website, toch aan de slag met hun eigen geestelijke gezondheid. In de groepsactiviteiten kunnen ze hun beschermende factoren verder versterken. De organisaties die werken met de jongeren van 12 tot 16 jaar krijgen hiervoor de nodige tools in handen om op een gekaderde doch ludieke manier met dit thema aan de slag te gaan bij hun eigen groep.

P02  
Inloopmobiel Eetstoornissen: one year on the road
Els Verheyen
, klinisch psychologe, Anorexia Nervosa Boulimia Nervosa vzw, Leuven
Liesbeth Vander Elst, Anorexia Nervosa Boulimia Nervosa vzw, Leuven

Doelstelling
Deze studie onderzoekt welke invloed de “Inloopmobiel Eetstoornissen” tijdens het eerste werkjaar heeft gehad op de bezoekersaantallen.
Methode
In de periode tussen 1 september 2010 en 31 augustus 2011 werden alle activiteiten van zowel de Inloopmobiel (ILM) als het Inloophuis (ILH) geregistreerd. Tijdens de activiteiten noteerden medewerkers het aantal bezoekers op een gestandaardiseerd invulformulier. De resultaten werden geanalyseerd met statistische software R.
Resultaten
Tussen 1 september 2010 en 31 augustus 2011 hielp AN-BN 1.980 mensen verder. 1.464 personen (74%) kwamen langs bij de Inloopmobiel en 516 (26%) in het Inloophuis. Het Inloophuis kreeg hiermee op een jaar tijd iets meer bezoekers over de vloer dan het voorafgaande jaar [X² = 3.2131 (1), p < .10].
De Inloopmobiel was op 73 activiteiten aanwezig, waarbij telkens gemiddeld 20 personen bereikt werden. Wanneer we de bezoekersaantallen verder analyseren, zien we dat er zoals verwacht procentueel gezien minder patiënten naar de Inloopmobiel (N = 153) dan naar het Inloophuis (N = 344) kwamen [X² = 73.4024 (1), p < .001]. Daarnaast werd ook de hypothese bevestigd dat meer mensen uit de “omgeving” werden bereikt. Wanneer we naar de "brede omgeving" kijken (student, teacher, professional), dan zien we dat zij significant meer gebruik maakten van de Inloopmobiel (N = 1059) dan van het Inloophuis (N = 98) [X²= 798.2031 (1), p < .001]. Voor de "nabije omgeving" (partners, parents, siblings) geldt hetzelfde [N Inloopmobiel = 115, N Inloophuis = 29, X² = 51.3611 (1), p < .001].

P03  
Krachtige kunst van kwetsbare mensen
Mia Lettany
, leerkracht opvoedkunde, galeriehoudster, Paramedisch Instituut Mechelen / Galerie Duende, Mechelen

In oktober 2008 opende Mia Lettany te Mechelen de eerste galerie voor"outsiderkunst" in Vlaanderen. Galerie Duende is een sociaal-artistiek project waarmee de galeriste een forum wil bieden aan kwetsbare kunstenaars en deze uitnodigen en stimuleren om met boeiende kunst naar buiten te treden, niet vanuit die kwetsbaarheid, maar vanuit hun kracht en op die manier een ontmoeting aan te gaan met het reguliere kunstencircuit.
Duende is een Spaanse term en slaat op de kracht achter de daden en het creatieve leven van de mens...
De galerie wenst niet te vertrekken vanuit een problematiek, van hetgeen mensen scheidt, maar beoogt het positieve, het mooie en het creatieve, de gemeenschappelijke behoefte om zich te uiten via diverse kunstvormen of om hiervan samen te genieten. Kansen geven is hier een belangrijke doelstelling.
In de creatieve ateliers van vele instellingen krijgen mensen de kans om zich artistiek te uiten en vaak levert dit naast de therapeutische voordelen ook kunstwerken op met een duidelijke meerwaarde.
De galerie wil de kunstwaarde van deze werken benadrukken en hanteert criteria als oprechtheid en de intrinsieke kracht van een werk om te boeien en erkenning te verwerven in het zogenaamde reguliere kunstcircuit.
Het sociale aspect achter de galerie speelt een belangrijke rol. De galerie biedt een antwoord op de vooroordelen tegen outsiderkunst en komt op voor de appreciatie ervan. De galerie wil het werk van begaafde - maar soms moeilijk toegankelijke - kunstenaars een zichtbare plek geven in de maatschappij. 
http://galerieduende.weebly.com/

P04  
Organisatiebreed zorgpad: somatische screening en opvolging van metabool syndroom
Nancy Steurs
, kwaliteitscoördinator, OPZ Geel

‘Veilige zorg’ is een basisrecht voor elke patiënt. Om deze veilige zorg te garanderen is de zorgpadmethodiek een ideaal instrument tot onderlinge afstemming van multidisciplinaire zorgaspecten en tot optimale samenwerking met de cliënt. Een goed voorbeeld is het zorgpad ‘Somatische screening en opvolging van metabool syndroom’ (MetS) zoals ontwikkeld in OPZ Geel.
MetS is een cluster van de gevaarlijkste cardiologische risicofactoren: abdominale obesitas, diabetes en verhoogde glucosespiegels, hoge cholesterol en hoge bloeddruk.
Naar schatting heeft 20 tot 25 % van de volwassen wereldbevolking MetS. Bij hen ligt de sterfte door hartaanval of beroerte dubbel zo hoog als bij mensen zonder het syndroom (IDF, 2006). Personen met psychische problemen vormen een extra risicogroep. Onderzoek toont bij hen een geschatte prevalentie van MetS van 37 tot 63 % (De Hert M. et al., 2010). Dit is een gevolg van hoger risico op beïnvloedbare cardiovasculaire risicofactoren als obesitas, hypertensie, roken… Daarnaast kunnen antipsychotica gewichtstoename induceren en de metabole cardiovasculaire risicofactoren negatief beïnvloeden. De bestaande (inter)nationale Evidence Based Medicine-richtlijnen blijken onderbenut in de dagelijkse zorg.
OPZ Geel werkte een organisatiebreed zorgpad uit voor screening en behandeling van MetS. Idealiter is het risicoprofiel van de patiënt gekend alvorens een therapie met antipsychotica start. Ook na screening is een adequate behandeling essentieel.
Kritieke succesfactoren voor het zorgpad zijn: de integratie van sleutelinterventies volgens de EBM-literatuur; het maximaal betrekken van patiënt als geïnformeerde zorgpartner; de transmurale communicatie van screeningsresultaten en behandeling aan de huisarts en een duidelijke multidisciplinaire zorgaanpak tijdens het verblijf.
Referenties
De Hert, M. et al (2010). Cardiovasculaire ziekte en diabetes bij mensen met een ernstige psychiatrische stoornis. Tijdschrift voor Geneeskunde, 66, 6, 269-281
International Diabetes Federation (2006). Metabolic Syndrome, The IDF consensus worldwide definition of the Metabolic Syndrome

P05  
Start to move
Jill Hermans
, adjunct-directeur patiëntenzorg, PK Broeders Alexianen, Tienen

Achtergrond
De “gezondheidstrend” is niet meer weg te denken in zowel onze persoonlijke als professionele wereld, en dus ook in de geestelijke gezondheidszorg. Ook de specifieke trend rond bewegen is populair. De duizenden start to run-adepten bewijzen dit. Verbetering van algemene conditie, meer spierkracht, betere uithouding, verhoogde lenigheid en evenwicht zijn reeds goed gekend als fysieke voordelen. Minder bekend zijn de mentale voordelen zoals weerbaarheid, angst- en stressreductie.
Doelstelling
We willen in de P.K. Broeders Alexianen te Tienen een opname aanwenden als kans om een bijkomende interventie te doen op vlak van fysieke fitheid. Met deze pilootstudie willen we nagaan of het geïntroduceerde gezondheidsprogramma (focus op twee gezondheidsaspecten: gezonde voeding en beweging) gunstige effecten heeft op het vlak van fysiologische en psychologische factoren.
Methode
Aan een gerandomiseerde steekproef van patiënten met een middelenafhankelijkheid wordt een fitheidsprogramma in combinatie met voedingsadvies aangeboden. Fysiologische en psychologische parameters worden zowel voor als na het inspanningsprogramma geregistreerd.
Resultaten
Bij een groep patiënten (n=30) is er volgens een paired sample t-test een significante verbetering op vlak van de fysiologische metingen. Een gunstig effect op de psychologische component van well being kon (nog) niet aangetoond worden.
Conclusie
Het aangeboden gezondheidsprogramma “start to move” heeft bij residentieel opgenomen patiënten met een middelenafhankelijkheid een positief effect op de fysiologische metingen. Hoewel het positieve effect op het welbevinden van de patiënt niet significant kon worden aangetoond, wordt het afhankelijkheidsprobleem op deze manier in een breder perspectief geplaatst.

P06  
Rouw en multiple verlieservaringen bij oudere zorgvragers: aandachtspunten bij de verpleegkundige begeleiding op een afdeling ouderenpsychiatrie in een algemeen ziekenhuis
Steffi Deruyter
, verpleegkundige, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende Av, Brugge
Jan Debaene, hoofdverpleegkundige, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende Av, Brugge
Lieve Lemey, ouderenpsychiater, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende Av, Brugge

Ouderen worden vaak geconfronteerd met verlieservaringen op verschillende levensdomeinen waaronder pensionering, aftakeling van gezondheid, opname in een woon- en zorgcentrum, … In de literatuur over rouwverwerking wordt vaak gefocust op rouw omwille van het overlijden van een dierbare.
Aan de hand van enkele meetinstrumenten die gebaseerd zijn op de Rouw Vragenlijst (Boelen, de Keijser & van den Bout, 2001) proberen we aan te tonen dat, naast het verlies van een dierbare, ook andere verlieservaringen ernstige rouwreacties kunnen teweegbrengen. Dit biedt een breder perspectief om oudere zorgvragers te benaderen in onze gespreksgroep “Als ouderen rouwen …”.

P07  
De 10 geboden voor outreachen bij verstandelijke beperking
Gunther Degraeve
, psychiater, PC Dr. Guislain, Gent
Ann Demon, psychiatrisch verpleegkundige, Outreach De Steiger – De Meander, Gent
Leen De Neve, ortho-agoge, psychiatrisch verpleegkundige, Outreach De Steiger – De Meander, Gent
Filip Morisse, ortho-agoog, PC Dr. Guislain, Gent

Sinds twee jaar is de Mobiele Interventie Cel (MIC) voor personen met een verstandelijke beperking en comorbide psychiatrische en/of gedragsproblematiek in Oost-Vlaanderen als outreachteam werkzaam. DE MIC is erkend als pilootproject vanuit de Federale overheid, en gegroeid uit de gespecialiseerde afdelingen de Steiger van het PC Dr. Guislain te Gent en de Meander van het PZ Caritas te Melle.
In deze periode ontwikkelde de MIC een eigen methodologie die uitgebreid wordt toegelicht en via voorbeelden uit de praktijk geïllustreerd. De ‘geboden’ dienen hierbij als vertrekpunt.
1. Versterk de aanwezige krachten en (verbod) neem niet over
2. Werk nooit met standaardtrajecten of oplossingen. Doe niet steeds wat mensen/systemen vragen, maar wel wat ze nodig hebben
3. Laat ballonnekes op. Bekijk de situatie vanuit een andere bril
4. Evolueer van de buitenkant naar de binnenkant
5. Breng (enigszins spaarzaam) extra expertise en know-how in zonder de wijsneus uit te hangen
6. Stel samen diagnoses, maar stel ze ook in vraag
7. Ondersteun begeleiders en familie in het helpend begrenzen
8. Doe zaken bewegen, zonder op een dienblaadje te presenteren. Bruuskeer niet
9. Denk in en werk met netwerken. Start vanuit het natuurlijk netwerk
10. Evalueer jezelf en zoek naar transfer/borging.

P08  
Outreaching bij personen met een verstandelijke beperking en psychiatrische en/of gedragsproblemen: resultaten na 2 jaar pilootproject
Gunther Degraeve
, psychiater, PC Dr. Guislain, Gent
Patrick De Backer, psychiatrisch verpleegkundige, PC Dr. Guislain, Gent
Ann Demon, psychiatrisch verpleegkundige, Outreach De Steiger – De Meander, Gent
Leen De Neve, ortho-agoge, psychiatrisch verpleegkundige, Outreach De Steiger – De Meander, Gent
Filip Morisse, ortho-agoog, PC Dr. Guislain, Gent

In 2009 werd een provinciale Mobiele InterventieCel (MIC) opgericht voor personen met een verstandelijke beperking en psychiatrische en/of gedragsstoornissen.
De bedoeling is voor- en nazorg te bieden. Voorzorg is outreaching in de thuis of thuisvervangende situatie ter voorbereiding/in afwachting/ter uitstel/ter voorkoming van een opname in een gespecialiseerde residentiële behandelunit. Nazorg van patiënten ná residentiële opname, tevens outreachend dient om de terugkeer van het ziekenhuis naar de natuurlijke leefomgeving mogelijk te maken of te bespoedigen en/of heropname te voorkomen. In beide gevallen dient outreaching zowel de omgeving van de cliënt te versterken als de cliënt zelf.
Deze poster stelt de resultaten van twee jaar werking - waarin 109 casussen werden behandeld - voor. De data werden opgesplitst naar volgende topics: leeftijdsverdeling, geslacht, IQ, psychiatrische diagnostiek (volgens DSM-IV-TR), registratie en inventarisatie gedragsproblemen met specifieke aandacht naar agressie (autoagressie, naar objecten, naar personen) welke zowel kwantitatief als kwalitatief werd gescoord. Tenslotte werden ook de reeds bestaande ondersteuningsvormen opgelijst.

P09  
Door Ervaring Naar Kennis
Nancy Dyckmans
, DENK, Overlegplatform GGZ Vlaams-Brabant, Heverlee

De werkgroep DENK is in 2007 ontstaan als pilootproject van het Vlaams-Brabantse overlegplatform geestelijke gezondheid (vzw Logistiek Vlabo). Men wilde naast de hulpverleners en de dichtbetrokkenen ook de stem van de (ex-)patiënten horen. De bedoeling van deze werkgroep is om mensen met een psychische kwetsbaarheid te empoweren. Via het delen van ervaringen en het uitwerken van onderwerpen op basis van hun ervaringen kunnen de leden een bijdrage leveren aan de werking van de ggz, bv. hun mening wordt gevraagd over de werking van het mobiele team, de mening over de huisartsen, globaal binnen artikel 107, etc. Hun ervaringen worden dan ook gebruikt en vertaald in de praktijk.
De leden van DENK gaan getuigen over hun eigen ervaringen met een psychische ziekte. Dit gebeurt meestal met twee sprekers per groep. Hierdoor leren de studenten het probleem 'van binnenuit' kennen. Voor het scholenproject werd ook een werkmap P-nuts gemaakt. Deze werkmap geeft meer informatie over psychische ziektebeelden, behandelingen en verschillende sectoren en voorzieningen. De doelgroep betreft voornamelijk de hogescholen, soms ook de secundaire scholen (hoogste graad).
Het is de bedoeling om het stigma rond geestelijke gezondheidszorg te doorbreken!

P10  
ELSITO: Empowering learning for Social Inclusion Through Occupation: onze recente ervaringen
Luc Vercruysse
, diensthoofd ergotherapie, UPC KULeuven campus Kortenberg / HUB Brussel

Ons ELSITO LLL Grundtvig-project toont aan hoe engagement van alle leden van een partnerschap, met inbegrip van ggz service users, professionals, studenten ergotherapie en anderen, resulteert in het actief werken aan sociale inclusie.
Door middel van het zich engageren in het organiseren van bezoeken aan diverse locale projecten proberen we alle deelnemers van mekaars projecten te laten leren en doen we activiteiten die kunnen bijdragen tot meer begrip en inzicht in ieders eigen inclusieproces en mogelijkheden voor een betere actieve inclusie in ieders eigen omgeving. We werkten vooral met persoonlijke verhalen (narratives) van elke deelnemer en we gingen we op zoek naar, we deelden vooral de sterke kanten van elkeen.
ELSITO is een “learning Partnership” bestaande uit volgende instituten en organisaties:
- Hellenic Association of Occupational Therapists, Griekenland
- Actenz, GGZinGeest partner Vumc,Nederland
- Hogeschool – Universiteit Brussel, België
Van september 2009 tot september 2011 werden we als groep gefinancierd als Grundtvig Learning Partnership van het Life Long Learning (LLL)-programma van de EU.
Het doel van dit partnerschap was het uitwisselen van “good practices” (vooral gebaseerd op vrijwilligersengagement) voor kwetsbare groepen op zoek naar mogelijkheden van sociale inclusie.
Doel van de poster
- Introductie en informatie aan congres deelnemers over de outcomes van dit partnerschap
- Toelichten van de toekomstige werking van de community based-projecten van de verschillende partners
- Discussie uitlokken en delen van onze ervaringen van de laatste twee jaren.
Gedurende de postersessie is er mogelijkheid om van gedachte te wisselen tussen professionals, ggz service users en studenten.

P11  
Narratieve zorg, belang van het levensverhaal bij kwetsbare ouderen
Mikis Dormaels
, bachelor, levensverhaalschrijver, Narratieve Zorg, CGG Brussel Oost, Sint-Pieters-Woluwe

Tijdens het project Narratieve Zorg halen levensverhaalschrijvers samen met thuiswonende kwetsbare ouderen herinneringen op. Over hun leven vertellen geeft ouderen erkenning en waardering voor wat ze betekenen en gepresteerd hebben.
De levensverhaalschrijvers begeleiden kwetsbare ouderen bij het ophalen van die levensverhalen. Ze komen daarvoor regelmatig bij de oudere thuis. In een traject van een aantal sessies wordt, samen met een levensverhaalschrijver, stilgestaan bij verschillende thema’s: de kindertijd, sociale relaties, werk, dierbare herinneringen, …
Het resultaat is een ‘levensmap’ waarin verzameld zit wat van belang is in de levensloop van deze oudere. Voor en na de levensverhaalsessies worden vragenlijsten afgenomen om na te gaan welke effecten deze bijzondere zorg heeft.
De bedoeling is oudere zorggebruikers de regie van hun leven in handen geven, hen een stem geven. Het project wil de ouderen ook meer weerbaar maken, hun identiteit versterken en eventuele depressie voorkomen.
‘Narratieve Zorg’ is een zorgvernieuwingsproject voor thuiswonende zorgbehoevende ouderen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het wordt georganiseerd door het Ouderenteam van het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Brussel. Het RIZIV staat in voor de financiering.

P12  
Het netwerk van de therapeutische gemeenschap
Virginie Debaere
, onderzoeker, Vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie, Universiteit Gent 
Martie Mol
, directeur, Therapeutische gemeenschap de evenaar, Antwerpen

Al jaren onderzoeken we in onze kleinschalige therapeutische gemeenschap (TG) ‘de evenaar’ te Antwerpen via een kwantitatieve methode (vragenlijsten) de effectiviteit van psychosociale revalidatie van mensen met een hechtings- en of persoonlijkheidsstoornis. Resultaat van deze metingen is dat hun klachten afnemen en dat er een toename is in actieve aanpak van problemen. De depressie neemt af, er is een rijpere omgang met moeilijkheden, expressie van emoties neemt toe en men ervaart meer sociale steun. Dit is natuurlijk prima maar deze meting zegt niets over hoe dit komt.
Wat is de kracht van een TG en wat gebeurt er nu eigenlijk bij ons (de black box van de TG)? We menen dat onze uitgangspunten (o.a. gelijkwaardigheid en autonomie) en het doorgedreven sociotherapeutische kader in grote mate bijdragen aan dit resultaat, maar is dit ook zo? Op onze vraag onderzochten Virginie Debaere en Prof Dr. Stijn Vanheule (UGent) door middel van focusgroepen met ex-patiënten wat er in ‘de evenaar’ gebeurt. Hoe vinden zij dat ze veranderd zijn en waaraan schrijven zij dit toe?
We presenteren de resultaten van dit onderzoek.

P13  
MengelMousse, een kunstencollectief van patiënten
Anne Dekerk
, psychologe, PC Sint-Norbertushuis, Duffel
Ingrid Moerman, PR en communicatie, PC Sint-Norbertushuis, Duffel

MengelMousse is een gloednieuw kunstencollectief in het Psychiatrisch Ziekenhuis Duffel. Het is gegroeid vanuit een groep patiënten van verschillende afdelingen van het ziekenhuis die de voorstelling RUIS maakten tijdens de Week Van De Stilte (najaar 2010).
MengelMousse startte al meteen met een mooie externe activiteit op Verni’Cage, een kunstenfestival in het Oude Badhuis te Antwerpen, waar beeldende kunstwerken getoond werden.
Met een “MengelMousse” aan verschillende karakters tracht dit initiatief steeds met een uniek project bezig te zijn, waar men al dan niet mee naar buiten treedt. Het volgende project is het project ‘De cirkel is rond’, een multimediaal project dat opnieuw zal resulteren in een voorstelling. Patiënten zullen in deze voorstelling het thema cirkel als leidraad nemen en dit zowel visueel, auditief als in teksten op papier.
MengelMousse richt zich naar iedereen, patiënten en personeel, die op één of andere manier kunstzinnig willen bezig zijn: schrijven, beeldende kunst, schilderen, muziek, toneel enz… en sociale contacten willen leggen.

Woensdag 19 september 2012 13u15-14u15
P14  
Online hulp voor nabestaanden na suïcide, een vergelijkende studie in het Nederlands en in het Engels
Karl Andriessen
, MSuicidology, Federatie van Tele-Onthaaldiensten, Gent
Karolina Krysinska, post-doc onderzoeker, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, KULeuven

Het internet is een ruime bron van informatie en hulp voor nabestaanden na zelfdoding maar de huidige kennis over de aard en de kwaliteit van het online materiaal is erg beperkt.
Deze studie onderzocht welke informatie en hulp nabestaanden online kunnen vinden in het Nederlands en in het Engels, wat de kwaliteit is van dergelijk materiaal, en wat de gelijkenissen/verschillen zijn tussen de online bronnen in deze twee talen. Het internet werd doorzocht met populaire zoekmachines in het Nederlands (Google en Yahoo!) en in het Engels (Google, Yahoo!, Bing/MSN en Ask) met een reeks zoektermen i.v.m. verlies, rouw en hulp na suïcide.
De gevonden websites werden 1. gecategoriseerd volgens auteur en inhoud en 2. de meest gevonden websites werden geanalyseerd naar hun structuur en inhoud.
De studie vond 95 Nederlandstalige en 145 Engelstalige websites met een grote variëteit van kwaliteit en betrouwbaarheid. Hoewel er gelijkenissen zijn in het aanbod van het online materiaal van de twee taalgroepen, bestaan er verschillen die verklaard kunnen worden door culturele factoren en de organisatie van hulp voor nabestaanden na zelfdoding. Bijvoorbeeld, de Nederlandstalige websites bevatten meer informatie i.v.m. professionele hulp, en meer Engelstalige sites dan Nederlandstalige sites waren gemaakt door nabestaanden.

P15  
Introductie van een psychogeriatrisch zorgpad in een psychiatrisch ziekenhuis
Astrid Van Raemdonck
, licentiaat klinische psychologie, stafmedewerker, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas
Kim Van Daelepsychiater, hoofdarts, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas 
Filip Lanssens, psychiater, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas
Nadine Vandenabeele, psychiater, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

Uitgaande van de vergrijzing enerzijds en de tendens naar uitbreiding van de transmurale zorg anderzijds wil men zich in het APZ Sint-Lucia te Sint-Niklaas voorbereiden op de toekomst. Concreet wordt een psychogeriatrisch zorgtraject uitgebouwd met hertekening van de zorgverlening binnen èn buiten de ziekenhuismuren.
Het ziekenhuis wil een ‘center of excellence’ zijn in diagnostiek en behandeling van ouderen met een psychiatrische problematiek. Dit vraagt uiteraard een herbestemming van materiaal en personeel maar vooral een uitgelijnde visie.
De (ouderen) beddencapaciteit (35 Sp-psychogeriatrie en 30 T-bedden) werd versterkt met een (gesloten) crisisopnamedienst (10 A-bedden) KOMPAZ (Kliniek voor ouderen met een psychiatrische acute zorgvraag) genaamd. Deze 10 bedden werden gedraineerd naar de ouderenzorg vanuit de volwassen-psychiatrische zorgcluster. Aldus wordt het voor de ouderenzorg gereserveerde beddenaantal opgetrokken tot 25% van de totale capaciteit.
Ten eerste is deze transitie opportuun om een snellere en adequatere “service” te kunnen verlenen aan de externe zorgpartners (mantelzorgers, huisartsen, RVT’s, afdelingen geriatrie in het algemeen ziekenhuis). Ten tweede biedt deze uitbreiding een intern antwoord op de noodzaak tot een dynamischer en meer geïntegreerd zorgtraject inzake ouderen met een psychiatrische problematiek. De nieuw opgerichte afdeling heeft als doel een intern en extern aanspreekpunt te vormen rond het deskundig omgaan met en het behandelen van ouderen met een uiteenlopende psychiatrische problematiek. Het doel is een (goed zichtbare) 24/24h voordeur te creëren voor een eerste evaluatie/diagnostische oppuntstelling van ouderen met een psychiatrische problematiek.

P16  
Advies SuïcidePreventie voor HuisArtsen (ASPHA)
Patrick Vanderreydt
, stafmedewerker Zelfmoordlijn, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Jette

IASPHA ondersteunt huisartsen en geeft advies via telefoon en email bij het begeleiden van suïcidale patiënten, hun omgeving en nabestaanden. In 2011 belde gemiddeld een huisarts per week en telde de website 1.832 unieke bezoekers. ASPHA bereikt een breed publiek aan huisartsen; van alle leeftijdscategorieën, evenveel mannen als vrouwen, zelfstandigen of werkzaam in een groepspraktijk.
De meeste huisartsen die gebruik maken van ASPHA doen dit ter voorbereiding van een consultatie. Ze blijken vooral op zoek te zijn naar handvatten om gesprekken met suïcidale patiënten te voeren. Tijdens het gesprek met ASPHA wordt verkend hoe de huisarts dit het best aanpakt. Vaak heerst de idee dat ze een dergelijke situatie alleen moeten oplossen. ASPHA wil de huisarts bevestigen in zijn omgang met de suïcidale patiënt en verleent advies indien nodig. Ook wanneer een huisarts ongerust is naar aanleiding van een gesprek met een familielid of andere hulpverlener, kan hij bij ASPHA terecht.
Uit een enquête in 2011 bleek dat 27% van de Vlaamse huisartsen bekend is met ASPHA. Ook de openheid t.o.v. de lijn en de tevredenheid bleken hoog.
Het CPZ put voor dit project uit haar expertise in crisishulpverlening aan de Zelfmoordlijn. De vrijwilligers beantwoorden de telefoon en e-mail.
De implementatie werd mede mogelijk gemaakt door een expertengroep. Voor inhoudelijke ondersteuning werden supervisiesessies georganiseerd waarbij een professional feedback gaf ter verbetering van de kwaliteit van de gevoerde gesprekken.
In 2012 wordt verkend hoe ASPHA zich kan richten tot andere hulpverleners, zonder de specifieke aandacht voor de huisartsen hierin te verliezen.

P17  
Empirisch onderzoek naar het zelfconcept van psychiatrische patiënten met een verstandelijke beperking
Jo Herbots
, bewegingstherapeut, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Ria Van Look, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

In deze bijdrage onderzoeken we het zelfconcept bij psychiatrische patiënten met een lichte verstandelijke beperking. Meer bepaald gaat het om een pilootstudie met als doel een verheldering te brengen in de zelfbeleving en het zelfbeeld bij deze specifieke populatie om zo indicaties voor therapie en begeleiding te kunnen formuleren.
Het zelfconcept wordt nagegaan in een groep psychiatrische patiënten met een verstandelijke beperking (verwachte N = 50) aan de hand van de Self Description Questionnaire-III (Marsh, 1990) en de Physical Self-Perception Profile (Fox, 1990). Resultaten worden vergeleken met controlegroepen. Bij de groep met een verstandelijke beperking gebeurt de bevraging onder begeleiding om de betrouwbaardheid van de meting te garanderen. Multiple analysis of variance (MANOVA) wordt gebruikt als data-analysetechniek.
We verwachten bij de groep psychiatrische patiënten een uitval in het academisch zelfconcept, terwijl we geen lagere waarden verwachten in de dimensies die de fysieke en niet-academische zelfwaardering meten.
Referenties
Marsh, H.W. (1990). Self Description Questionnaire-III. Cambelltown, University of Western Sydney, Macarthur
Fox, K.R. (1990). The Physical Self-Perception Profile: Manual. Northern Illinois University: Office of Health Promotion

P18  
Is categoriale diagnostiek relevant bij personen met een verstandelijke beperking en comorbide psychiatrische aandoeningen?
Jo Herbots
, bewegingstherapeut, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

Inleiding
In de literatuur wordt gewezen op de beperktheid van categoriale diagnostiek met behulp van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM, APA, 1994) bij personen met een verstandelijke handicap (Došen, 2005). Voornamelijk bij een ernstige verstandelijke beperking zou de DSM ontoereikend zijn. We onderzoeken de relatie tussen performance op de Luria Nebraska Neuropsychological Battery (LNNB), het niveau van verstandelijke ontwikkeling en DSM-diagnose.
Methode
Groepen werden gevormd op basis van intelligentie en psychiatrische diagnose. De performance werd gemeten met de LNNB, die gebaseerd is op een gestandaardiseerde verwerking van de theorie van de neuropsycholoog A.R. Luria. Ze meet de sensorimotorische vaardigheid, de taalontwikkeling, de schoolse vaardigheden, het werkgeheugen en de intellectuele processen. De batterij heeft goede psychometrische kwaliteiten (Golden et al, 1983).
Het onderzoek werd uitgevoerd bij 425 personen (m/v). Multiple analysis of variance (MANOVA) werd gebruikt als data-analysetechniek.
Resultaten
We vinden enkel significante verschillen tussen performance en DSM-diagnostiek op het niveau lichte verstandelijke beperking en binnen de groep zwakbegaafden. We vinden geen verschillen meer in de performance, ongeacht de diagnose (DSM), bij de groep matige en ernstige verstandelijke beperking.
Conclusies
Dit impliceert dat de behandelingsstrategie bij personen met een matige of ernstige verstandelijke beperking baat heeft bij een ontwikkelingsdynamisch model (Došen, 2005), en minder bij een nosologisch diagnostisch denken.
Referentie
Došen, A. (2005). Psychische stoornissen, gedragsproblemen en verstandelijke handicap. Koninklijke Van Gorcum, Assen

P19  
De effectiviteit van gezinsgroepstherapie in de residentiële behandeling van adolescenten met eetstoornissen
Eva Dierckx
, stafmedewerker onderzoek, PK Broeders Alexianen, Tienen
Lies Depestele, licentiaat orthopedagogiek, systeemtherapeut, PK Broeders Alexianen, Tienen
Walter Vandereycken, psychiater, professor, PK Broeders Alexianen, Tienen
Gilbert Lemmens, psychiater, psychotherapeut, kliniekhoofd psychiatrie, Universitaire Dienst Psychiatrie UZ Gent

Achtergrond
Een belangrijk onderdeel van de behandeling van jongeren met een eetstoornis betreft het werken met gezinnen. De laatste jaren werd geëxperimenteerd met diverse vormen van gezinsbegeleiding in groepsverband, de zogenaamde ‘multiple family therapy’ of gezinsgroepstherapie.
Doelstelling
Met deze gecontroleerde studie bij opgenomen patiënten met een eetstoornis gaan we na of het een meerwaarde is om de patiënt zelf te betrekken in de gezinsgroepstherapie en, zo ja, voor welke gezinnen en in welke vorm.
Methode
Gezinsgroepstherapie wordt vergeleken met een oudergroepstherapie zonder aanwezigheid van de opgenomen dochter. Hierbij wordt een reeks variabelen vergeleken: motivatie tot deelname, opvattingen van ouders over eetstoornissen, draaglast van ouders als zorgfiguur (Experience of Caregiving Inventory), partnerrelatie van de ouders (Dyadic Adjustment Scale), gezinsprocessen zoals probleemoplossing en communicatie (Family Assessment Device), alsook ervaren groepsprocessen.
Resultaten
We presenteren de tussentijdse resultaten van een tiental gezinnen in elke behandelconditie met vergelijking van voor- en nametingen.

P20  
Samenhang tussen persoonlijkheidskenmerken en disfunctionele cognitieve schema’s bij middelenafhankelijkheid
Els Pauwels
, klinisch psycholoog, onderzoeker, PK Broeders Alexianen, Tienen
Eva Dierckx, stafmedewerker onderzoek, PK Broeders Alexianen, Tienen
Hendrik Peuskens, psychiater, PK Broeders Alexianen, Tienen
Laurence Claes, onderzoeksgroep Klinische Psychologie, faculteit psychologische en pedagogische Wetenschappen, KULeuven

Binnen de cognitieve therapie kent de schemagerichte therapie van Young een enorme opmars in Vlaanderen en wereldwijd. De schemagerichte therapie van Young (2002) gaat ervan uit dat disfunctionele schema’s aan de grondslag liggen van psychologische problemen. In dit onderzoek gaan we na of de cognitieve schema’s van Young differentiëren tussen patiënten met een verslaving aan 1. alcohol, 2. andere middelen (bv. cannabis) of 3. beide. Verder onderzoeken we of het verband tussen de cognitieve schema’s en persoonlijkheidsstoornissen gelijkaardig is binnen de drie voornoemde groepen.
Hiertoe namen we in een proefgroep van 400 patiënten met een verslavingsproblematiek de Young Schema Questionnaire (YSQ-2e-LF) en de Assessment of DSM-IV Personality Disorders (ADP-IV) af. Tegen het congres zullen de resultaten van beide onderzoeksvragen geanalyseerd zijn. Op basis van de resultaten van het onderzoek kunnen we bepalen of dysfunctionele cognitieve schema’s differentiëren tussen personen met verschillende types van verslaving, en of het verband tussen dysfunctionele cognitieve schema’s gelijkaardig of verschillend is binnen de verschillende verslavingsgroepen.
Referentie
Young, J. E. & Klosko, J. (2002). Leven in je leven. Amsterdam, Harcourt Assessment

P21  
Toepassing van de spoedprocedure gedwongen opname: vergelijking binnen een gerechtelijk arrondissement
Chris Bervoets
, psychiater, hoofd psychiatrische intensieve zorgen, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge
Jürgen De Fruyt, psychiater, hoofd EPSI Brugge, Dienst psychiatrie-psychosomatiek, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV
Geert Bosma, psychiater, hoofdgeneesheer, PC Sint-Amandus, Beernem
Charlotte Vandaele, psycholoog, psychiatrische intensieve zorgen, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge
Françoise Verfaillie, psychiater, hoofdgeneesheer, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge

De toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke kent tot op heden weinig gesystematiseerd onderzoek. Een recente nog niet gepubliceerde studie (J. Vandenberghe, persoonlijke communicatie) analyseerde de toepassing ervan binnen verschillende gerechtelijke arrondissementen. Analyse van de gegevens over de toepassing van vordering, bekrachtiging en verlenging van een maatregel, bekomen uit verschillende ziekenhuizen binnen één gerechtelijk arrondissement, zijn echter nog niet gepubliceerd.
In het gerechtelijk arrondissement Brugge wordt het merendeel van de vorderingen in spoedprocedure toegeleid via de eenheid voor psychiatrische spoed interventie (EPSI). Na positief medisch advies worden patiënten doorverwezen voor verdere gedwongen opname naar één van de twee - voor gedwongen opname - erkende psychiatrische ziekenhuizen (pz) in het arrondissement Brugge. De keuze van het ziekenhuis voor verder verblijf gebeurt door de parketmagistraat op basis van beschikbaarheid van bedden. De definitieve bekrachtiging door de vrederechter van de gevraagde maatregel en de eventuele verlenging ervan wordt in het psychiatrisch ziekenhuis genomen.
Het doel van deze retrospectieve studie is om bij patiënten, die in 2011 aangemeld werden op EPSI en bij wie een gedwongen maatregel gestart werd, na te gaan hoe deze maatregel verder evolueerde voor wat betreft 1. bekrachtiging van de maatregel na tien dagen observatie en 2. de beslissing tot verlenging na veertig dagen observatie in het pz. De gegevens werden per pz verzameld en statistisch vergeleken voor beide uitkomstparameters.
Deze onderzoeksresultaten worden voorgesteld en besproken: o.a. binnen de context van nationale en internationale onderzoeksgegevens, de praktische uitvoering van de procedure gedwongen opname en de duidelijke nood aan de richtlijnontwikkeling hieromtrent. 

P22  
(Geweld)incidenten bij Vlaamse forensisch-psychiatrische patiënten
Inge Jeandarme
, psychiater, coördinator, KeFor OPZC Rekem

In vergelijking met de algemene bevolking bestaat er bij psychiatrische patiënten een verhoogd risico op (gewelds)incidenten. In vergelijking met een delinquentenpopulatie blijkt dit risico bij psychiatrische patiënten lager te zijn en vooral gericht naar bekende slachtoffers (Monahan et al., 2001; Douglas, Guy & Hart, 2009).
Clinici en leken overschatten de gevaarlijkheid van patiënten (Philipse, 2005), hetgeen niet enkel stigmatiserend werkt, maar ook weerstand en angst oproept om deze patiënten in (vervolg)behandeling te nemen.
In dit onderzoek wordt de ‘gevaarlijkheid’ van 199 Vlaamse geïnterneerden beschreven aan de hand incidenten die tijdens en na forensisch-psychiatrische behandeling, in de ‘time at risk’ periode variërend van een tot tien jaar, plaatsvonden.
Een kwart van de geregistreerde incidenten was er sprake van (verbale) agressie, in de meerderheid van de gevallen niet ernstig en gericht naar een bekend slachtoffer, zoals een hulpverlener of medepatiënt.
De resultaten zijn in overeenstemming met internationale onderzoeksgegevens.
Referenties
Douglas, K. S., Guy, L. S. & Hart, S. D. (2009). Psychosis as a risk factor for violence to others: A meta-analysis. Psychological Bulletin, 135, 5, 679-706
Monahan, J., Steadman, H. J., Silver, E., Appelbaum, P. S., Robbins, P. C., & Mulvey, E. P., et al. (2001). Rethinking risk assessment: The MacArthur study of mental disorder and violence. New York, Oxford, University Press
Philipse, M. W. G. (2005). Predicting criminal recidivism. Empirical studies and clinical practice in forensic psychiatry. Proefschrift. Nijmegen, Radboud Universiteit

P23  
‘Macht en kracht’ op een afdeling ouderenpsychiatrie - Zorgrelatie in verandering door psycho-educatie met betrekking tot ECT
Amra Hurlebusch
, verpleegkundige, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, Brugge
Jan Debaene, hoofdverpleegkundige, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, Brugge
Lieve Lemey, ouderenpsychiater, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, Brugge

Psycho-educatie op een afdeling ouderenpsychiatrie vormt een bijzondere uitdaging voor de psychiatrisch verpleegkundige, omwille van de grote kwetsbaarheid van de patiënten.
Aan de hand van een concreet voorbeeld willen wij aantonen dat psycho-educatie ook voor deze specifieke doelgroep een belangrijke bijdrage tot kwaliteitszorg kan bieden. Wij stellen een zelfontwikkeld werkinstrument voor dat de voorlichting over elektroconvulsietherapie op onze afdeling helpt optimaliseren: het informatieboek.

P24  
Meten van uitkomsten van behandeling bij psychogeriatrische patiënten: op zoek naar een instrument om verandering in kaart te brengen
Eva Dierckx
, stafmedewerker onderzoek, PK Broeders Alexianen, Tienen

Doel
Aan de hand van huidig onderzoek wordt op zoek gegaan naar een meetinstrument om neuropsychiatrische symptomen bij psychogeriatrische patiënten in kaart te brengen tijdens de behandeling. Verwacht wordt dat de Health of Nation Outcome Scale for Elderly People (HoNOS 65+) en de Neuropsychiatric Inventory (NPI) zowel voldoende wetenschappelijk onderbouwd als praktisch hanteerbaar zijn, om dienst te doen als evaluatief meetinstrument. Een afname van neuropsychiatrische symptomen wordt verwacht naarmate de behandeling vordert.
Methode
De HoNOS 65+ en de NPI worden aan de hand van tussentijdse metingen, met een tijdsinterval van twee weken, gescoord door verpleegkundigen op de psychogeriatrische afdeling van de Psychiaterische Kliniek Broeders Alexianen te Tienen. In totaal worden 20 patiënten met psycho-organische ziektebeelden doorheen hun behandeling opgevolgd. Zowel de resultaten van beide meetinstrumenten als de ervaringen van de beoordelaars omtrent de gebruiksvriendelijkheid worden in huidig onderzoek bestudeerd.
Resultaten
Zowel de NPI als de HoNOS 65+ vertonen symptoomreductie na een behandeling van gemiddeld 10.25 weken (SD=6.74). De NPI beantwoordt aan alle vooropgestelde criteria voor de praktische bruikbaarheid, hetgeen niet wordt waargenomen voor de HoNOS 65+.
Conclusie
De NPI kan gebruikt worden om de effectiviteit van een behandeling op een psychogeriatrische afdeling met patiënten met een neurodegeneratieve aandoening in kaart te brengen aan de hand van tussentijdse metingen.

P25  
De Zorgmodule intensieve thuisbehandeling van het van het PZ Sint-Camillus in Sint-Denijs-Westrem: resultaten van het eerste jaar
Veerle Van den Wijngaert
, ASO psychiatrie, Centrum moeder en baby, PZ Sint-Camillus, Sint-Denijs-Westrem
Claudine Mertens, psychiater, afdelingsarts, Centrum moeder en baby, PZ Sint-Camillus, Sint-Denijs-Westrem
Klaas Bauters, coördinator, Centrum moeder en baby, PZ Sint-Camillus, Sint-Denijs-Westrem
Hilde Bauwens, teamcoördinator, Centrum moeder en baby, PZ Sint-Camillus, Sint-Denijs-Westrem

Reeds twaalf jaar werken we met een residentiële eenheid waar moeders met depressie, psychose, angststoornissen in het postpartum, samen met hun baby kunnen opgenomen worden.
Steeds meer ervaarden we een toenemende nood aan ambulante opvang, onder de vorm van behandeling en ondersteuning in de thuissituatie. Daarnaast besteden we veel aandacht aan het remediëren van de band tussen moeder en baby.
Op 1 september 2011 zijn we van start gegaan met ons Outreach-project in Oost- en West-Vlaanderen en een deel van Vlaams-Brabant. We bespreken de eerste resultaten.

P26  
Constructvaliditeit van de Tool voor Uitkomsten Metingen (TUM)
Stefaan Baert
, stafmedewerker, VVGG, Gent

Achtergrond
Ondanks toenemende interesse in de toepassingsmogelijkheden van patiëntenfeedbacksystemen, maken ze nauwelijks deel uit van de dagelijkse praktijk.
Doel
Het ontwikkelen en valideren van een multi-dimensionele Tool voor Uitkomsten Metingen (TUM).
Methode
De TUM bevat veertien visueel-analoge schalen, onderverdeeld in vier gebieden: klachten, interpersoonlijke relaties, tevredenheid over de behandeling, en therapeutische relatie. Tweehonderd patiënten vulden de TUM online in, samen met vier bijkomende vragenlijsten: Outcome Questionnaire (OQ-45), Quality of life questionnaire (WHOQOL-brief), de ggz-thermometer en de werk alliantie vragenlijst (WAV-12). De constructvaliditeit van de TUM werd onderzocht met behulp van Confirmatieve Factor Analyse (CFA) en Pearsoncorrelaties met bovengenoemde schalen. De interne consistentie werd uitgedrukt in termen van Cronbach’s alphas.
Resultaten
CFA bevestigt de vierfactorenstructuur van de TUM, hoewel drie items werden weggelaten wegens een te lage factorlading. De klachtenschaal was sterk geassocieerd met symptomen (OQ-45, .65), fysieke (WHOQOL, .68) en psychische klachten (WHOQOL, .59). De interpersoonlijke schaal was sterk geassocieerd met dagelijkse activiteiten (WHOQOL, .51) en sociale relaties (WHOQOL, .51). De therapeutische relatieschaal was matig geassocieerd met taakgerichtheid (WAI, .41), doelgerichtheid (WAI, .47) en therapeutische band (WAI. 39). Tot slot, zowel de tevredenheids- en therapeutische relatieschaal waren sterk geassocieerd met de tevredenheid over de behandeling (respectievelijk .88 en .82). De interne consistentie was hoog voor alle factoren (Cronbach’s alfa’s = .88-.95).
Conclusies
Dit preliminair onderzoek toont aan dat de TUM een psychometrisch goed onderbouwd instrument is.
Referentie
Baert, S. (2011). Psychometric characteristics of outcome and feedbackmanagement systems: preliminary findings based on the multi-dimensional, web-based Tool for Outcome Measurement (TOM). Abstractbook Annual Meeting of the Belgian Association for Psychological Sciences, Ghent University, 27/05/2011, 86