18 en 19 september 2012
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Macht en kracht: zorgrelaties in verandering

mededelingen

Dinsdag 18 september 2012 11u30-13u00
M01  Good practices

M01.1 Nee bedankt, alles gaat prima! Over hulpverlening bij korsakoffpatiënten
Bart Schepers
klinisch psycholoog, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

Bij korsakoffpatiënten is er meestal sprake van een enorme kloof tussen de hulpvraag en de objectieve zorgbehoefte. Anosognosie en een geringe motivatie om het alcoholgebruik te verminderen, maken dat de dagelijkse en therapeutische begeleiding van deze mensen niet eenvoudig is. De patiënt ervaart de aangeboden hulp nogal eens als ongewenst en betuttelend. En de hulpverlener raakt nogal eens gefrustreerd als blijkt dat zijn goedbedoelde inspanningen geen weerklank vinden.
In deze mededeling wordt stilgestaan bij de relationele aspecten in het begeleiden van korsakoffpatiënten. Immers, investeren in het opbouwen van een stevige vertrouwensrelatie kan ook bij hen de deur openen naar een werkzame en -bare hulpverlening. Maar hoe doe je dat? De belangrijkste principes met geslaagde praktijktoets worden meegegeven.
Omgaan met de korsakoffpatiënt vereist als basis een degelijke kennis van het ziektebeeld. Dit helpt om in te schatten wat de patiënt wel en niet zal aankunnen, en vermijdt zo onnodige frustraties bij de beide partijen. Maar het vormt vooral ook de basis voor een beter begrip van de patiënt, geduld en empathie. Behalve een empathische benadering, werpt een pragmatische en soms eerder directieve stijl in praktijk zijn vruchten af. De principes van de empathisch-directieve benadering worden toegelicht aan de hand van enkele concrete voorbeelden, waarbij ingezoomd wordt op het gebruik van ‘directieven’ en hoe men kan vermijden dat men in een aversieve als dwang beleefde situatie terechtkomt. Eigenschappen en het belang van een gezonde therapeutische relatie worden vertaald op niveau van deze doelgroep.
Tenslotte wordt stilgestaan bij het pragmatisch luik, en hoe positieve gedragstherapeutische en operante interventies tegelijk probleemoplossend en verruimend kunnen werken.

M01.2 Onderweg naar genezing: laagdrempelige hulp via de Inloopmobiel Eetstoornissen
Els Verheyen
klinisch psychologe, AN-BN, Leuven

Vlaanderen kent slechts één zelfhulpgroep voor mensen met eetstoornissen en mensen uit hun omgeving. AN-BN (Anorexia Nervosa Boulimia Nervosa) startte in 1980 als een vrijwilligersorganisatie voor en door ouders. Doorheen de jaren evolueerde zij in een vereniging voor iedereen met vragen over eetstoornissen. AN-BN biedt zelfhulp, online informatie (www.anbn.be), een online forum, online chat en een telefoonpermanentie.
Sinds de opening van het Inloophuis in Leuven in 2005 ontving AN-BN jaarlijks ongeveer 400 personen. Meestal ging het om patiënten (52% in 2010). Voor ouders en brussen leek het moeilijker om de weg naar zelfhulp te vinden (8%).
AN-BN en eetstoornisspecialisten merkten echter op dat mensen nog te lang wachten om hulp te zoeken. Met de epidemiologische bevindingen van Preti e.a. (2009) wordt geschat dat het aantal personen die professionele hulp zochten neerkomt op 35% bij anorexia nervosa, 48% bij boulimia nervosa en 30% bij de overige eetstoornissen. Daarom startte AN-BN in september 2010 met een nieuw preventieproject: de Inloopmobiel Eetstoornissen. Het doel was om de gehele bevolking te bereiken (algemene preventie), maar speciaal ook de mensen die iemand kennen met een (risico op) eetstoornis (geïndiceerde preventie). Zij zijn goed geplaatst om problemen te signaleren en steun te verlenen. Op een jaar tijd bereikte de Inloopmobiel 1.464 personen. De resultaten van een jaar werking worden in deze mededeling toegelicht.
Referentie
Preti, e.a. (2009). The epidemiology of eating disorders in six European countries: Results of the ESEMeD-WMH project. Journal of Psychiatric Research, 43 (14), 1125-1132

M01.3 Implementatie van een werkmodel voor vroegdetectie en preventie bij KOPP in ggz-voorzieningen voor volwassenen: een stand van zaken
Ben Kwanten
, voorzitter, KOPP-Vlaanderen, Sint-Niklaas

In 2010 publiceerde KOPP-Vlaanderen het boek "KO(P)P-loper in zorg. Werkmodel voor vroegdetectie en preventie bij KOPP". Het werkmodel biedt een werkkader voor hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg om, binnen de behandeling van de patiënt (lees: de ouder), specifieke aandacht te hebben voor de positie en beleving van het kind. Dit is mogelijk indien de patiënt in een vroeg stadium van de behandeling op een veilige en respectvolle manier aangesproken wordt op zijn rol als ouder. In de toepassing van het werkmodel gebeurt dit tijdens het KOPP-preventiegesprek met de patiënt. Op dat ogenblik start preventie en kunnen de risico's voor het kind tot een minimum beperkt gehouden worden.
KOPP-Vlaanderen stimuleerde de voorbije twee jaar ggz-voorzieningen om het werkmodel op gestructureerde wijze te implementeren binnen hun basiswerking.
We lichten het werkmodel toe en beschrijven het boeiende en soms moeizame proces om dit werkmodel te integreren binnen de dagelijkse werking van een ggz-voorziening.

M01.4 Eenheid Psychiatrische Spoed Interventie: het patiëntenperspectief
Lore Mestdagh
, studente maatschappelijk werk, Dienst Psychiatrie-Psychosomatiek, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, Brugge
Jürgen De Fruyt, psychiater, hoofd EPSI Brugge, Dienst Psychiatrie-Psychosomatiek, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, Brugge

Sinds begin jaren negentig zijn Eenheden Psychiatrische Spoed Interventie (EPSI) in België opgericht. De prevalentie van aanmeldingen in deze eenheden is hoog. Voor vele patiënten is EPSI een eerste toegangspoort tot de ggz. EPSI staat in voor een laagdrempelige zorg: snelle evaluatie, kortdurende behandeling en gerichte doorverwijzing. De zich presenterende crisis (bv. emotionele ontreddering, agitatie, suïcidaliteit) dient onder controle te worden gebracht. Indien nodig, wordt concrete nazorg georganiseerd en de patiënt hiertoe gemotiveerd. Impliciet wordt hierbij meestal een ‘shared decision making’ (SDM)-model gehanteerd. Zowel arts als patiënt dragen bij aan de beslissingen: goede informatie, communicatie en patiënten bejegening zijn hierbij van primordiaal belang. Grote aandacht gaat uit naar continuïteit van zorg en nazorg. Onderzoek naar de toepassing van het SDM-model en continuïteit van zorg in EPSI is beperkt. Deze presentatie beschrijft hoe in EPSI Brugge wordt gepeild naar de beleving van de patiënt in het proces van ‘shared decision making’. Hiervoor werd een patiëntenenquête ontwikkeld waarin patiënten bejegening, informatie verstrekking, continuïteit van zorg en nazorg, toepassing van ‘informed consent’ en dwangmaatregelen worden bevraagd. Gedurende één maand wordt deze enquête worden afgenomen.
Resultaten worden voorgesteld, alsook hoe deze resultaten aanleiding kunnen geven tot aanpassingen in de EPSI-werking. Een kort overzicht wordt gegeven van de literatuur over EPSI-werking, SDM-model en het belang van zorgcontinuïteit. Dit onderzoek sluit aan bij eerder onderzoek over hulpvraag en beslissingsbekwaamheid van patiënten aangemeld op EPSI.

Dinsdag 18 september 2012 11u30-13u00
M02  Ethiek

M02.1 ‘Evidence-Based Practice’ in de psychiatrie? Naar een ethisch concept van ‘systematische reflectie’ in de zorg
Axel Liégeois
, professor, KULeuven
Marc Eneman, psychiater, hoofdgeneesheer, UPC KULeuven, Bierbeek

De laatste jaren is er in de zorg een belangrijke tendens naar ‘evidence-based practice’ (EBP), ook in de psychiatrie. Bij EBP speelt niet alleen het bewijs van effectiviteit een rol, maar ook de wensen van de cliënt en de expertise van de zorgverleners. Toch heeft EBP bij veel zorgverleners een negatieve bijklank die tot uitdrukking komt in een citaat van Einstein: “Niet alles wat telt, kan geteld worden; niet alles wat geteld kan worden, telt”.
In deze mededeling stellen we een advies voor van de Begeleidingscommissie Ethiek in de Geestelijke Gezondheidszorg bij de Broeders van Liefde. We waarderen EBP, maar willen het tegelijk verbreden en ethisch invullen, en daarom herbenoemen als ‘systematische reflectie’ op de zorg. We onderscheiden vier elementen in de systematische reflectie: 1. goede grondhoudingen; 2. overleg tussen zorgverleners, cliënt en naastbetrokkenen; 3. integratie van kennis, beleving en waarden; en 4. kwaliteit van zorg. Systematische reflectie op zorg is bijgevolg vanuit goede grondhoudingen en in overleg met de betrokkenen nadenken over de zorg op basis van kennis, beleving en waarden, om de kwaliteit van zorg te verbeteren. De kernidee is de integratie van de ‘objectieve’ kennis van effectiviteit met de subjectieve beleving van de betrokkenen en de onderliggende ethische waarden.
Referentie
Begeleidingscommissie Ethiek GGZ Broeders van Liefde (2012). Systematische reflectie in de zorg. Spanning tussen kennis, beleving en waarden, Gent, www.fracarita.org/identiteit/visie

M02.2 Goede afspraken maken goede vrienden: het beroepsgeheim van de ggz bij ‘justitie-patiënten’
Freya Vander Laenen
, professor, Institute for International Research on Criminal Policy, Vakgroep Strafrecht en Criminologie, Universiteit Gent

Binnen de forensische ggz bestaat heel wat expertise omtrent het beroepsgeheim in de samenwerking met justitie. In toenemende mate volgen ook in de reguliere ggz-patiënten een behandeling onder druk van justitie.
Hulpverleners in de reguliere ggz kennen niet altijd (voldoende) de gevolgen voor hun beroepsgeheim van het werken met een ‘justitie-patiënt’. Sinds 2000 heeft een wet immers de uitzonderingen op het beroepsgeheim drastisch uitgebreid. De wetswijziging verplicht ook de reguliere ggz voor bepaalde groepen patiënten aan justitie te rapporteren (daadwerkelijke aanwezigheden en ongewettigde afwezigheden; eenzijdig stopzetten van de behandeling; moeilijkheden bij de uitvoering van de behandeling).
Dat bij de samenwerking tussen justitie en ggz het spanningsveld tussen de belangen en doelstellingen van de patiënt, de professionelen en de samenleving tot uiting komt bij het maken van een afweging rond informatie-uitwisseling is onvermijdelijk. Justitie en ggz vertrekken nu eenmaal vanuit een ander referentiekader. Daar is ook niets mis mee, zolang het onderscheid en de daarbij horende rollen voor alle betrokkenen duidelijk zijn.
Referentie
Vander Laenen, F. (2011). The end of the affair? Het beroepsgeheim in de samenwerking tussen justitie en de hulpverlening, Panopticon, 4, 11

M02.3 Informatie uitwisselen in team of netwerk? Een ethisch pleidooi voor een voorwaardelijk gedeeld beroepsgeheim
Axel Liégeois
, professor, KULeuven
Marc Eneman, psychiater, hoofdgeneesheer, UPC KULeuven, Bierbeek

Door de vermaatschappelijking van zorg werken zorgverleners niet alleen samen in team, maar ook steeds meer in netwerken. Dit is een ethische uitdaging voor de uitwisseling van informatie en het beroepsgeheim. Bijgevolg dringt zich de vraag op of het bekende concept van gedeeld beroepsgeheim in een team kan uitgebreid worden naar een netwerk zonder dat de vertrouwelijkheid van de informatie in het gedrang komt.
In deze mededeling stellen we een advies voor van de Begeleidingscommissie Ethiek in de Geestelijke Gezondheidszorg bij de Broeders van Liefde. We opteren voor een positieve visie op de ontwikkeling in de samenwerking. Daarom stellen we een gedeeld beroepsgeheim voor, zowel in een team als een netwerk, maar verbinden er vijf voorwaarden aan: 1. een duidelijke afbakening en herkenbaarheid van het team of netwerk van zorgverleners; 2. een gezamenlijke zorgopdracht; 3. een plicht tot beroepsgeheim; 4. het overleg over de gedeelde informatie en de toestemming van de cliënt; en 5. de toepassing van de relevantiefilter bij de uitwisseling van de informatie. Op basis van dit voorwaardelijk gedeeld beroepsgeheim kunnen zorgverleners op een ethische verantwoorde wijze informatie in een team of netwerk uitwisselen.
Referentie
Liégeois, A., Haekens, A. & Eneman, M. (2001). Het voorwaardelijk gedeelde beroepsgeheim bij het uitwisselen van informatie in een team of netwerk. Revisie van een ethisch advies. Tijdschrift voor Psychiatrie, 53, 841-849

M02.4 Euthanasie bij patiënten met ondraaglijk lijden ten gevolge van een psychiatrische aandoening: ethische beschouwingen
Joris Vandenberghe
psychiater, professor, UPC KULeuven campus Gasthuisberg / CGG Vlaams-Brabant Oost, Leuven

Euthanasie is wettelijk mogelijk bij patiënten met ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden en het gevolg is van een ongeneeslijke psychiatrische aandoening. Op basis van een ethische analyse schetsen we vier problemen die zich stellen bij een dergelijk euthanasieverzoek.
1. Aan het euthanasieverzoek ligt een doodswens ten grondslag. Een doodswens als weloverwogen existentiële keuze moet onderscheiden worden van een doodswens als symptoom van de betreffende psychiatrische aandoening. Dit hangt nauw samen met de specifieke beslissingsbekwaamheid betreffende beslissingen over leven en dood.
2. Een euthanasieverzoek heeft naast een expliciete inhoud ook impliciete betekenissen en boodschappen die geëxploreerd en verhelderd moeten worden. Dit hangt nauw samen met de interpersoonlijke dynamiek tussen patiënt en derden, waaronder de psychiater(s) ((tegen)overdracht).
3. De evolutie en prognose van een psychiatrische aandoening is vaak onzeker als het geen progressieve neurodegeneratieve aandoening betreft. Dit maakt van de beoordeling van de medische uitzichtloosheid (de ongeneeslijkheid van de psychiatrische aandoening + de onlenigbaarheid van het lijden) een zeer moeilijk proces, zeker binnen een herstelvisie.
4. Een zorgvuldig stappenplan bij een dergelijk euthanasieverzoek duurt noodzakelijkerwijze lang, en dit langdurig proces brengt een eigen dynamiek op gang die het beloop van de aandoening, de doodswens en de houding van de patiënt beïnvloedt.
Besluit: bij een euthanasieverzoek van een patiënt met ondraaglijk lijden ten gevolge van een psychiatrische aandoening, zijn vanuit zorgethisch perspectief extra zorgvuldigheidsvereisten en evaluaties nodig.

Dinsdag 18 september 2012 14u00-15u30
M03  Therapeutische relaties

M03.1 De arts in psychotherapie
Marc Hebbrecht
, psychiater, voorzitter VVPT, Kortenberg

Tijdens deze mededeling wordt een overzicht gegeven van de problematiek van artsen zoals deze aan bod is gekomen in een psychotherapeutische praktijk gedurende 25 jaar. In totaal werden 70 artsen behandeld. De voornaamste problemen zijn faalangst, slapeloosheid, depressie, verslaving en suïcidedreiging.
De moeilijkheden die opduiken tijdens psychotherapie worden samengevat. Tenslotte volgen tien aanbevelingen ter preventie van ernstige emotionele problemen bij artsen.

M03.2 Macht en kracht: de therapeutische alliantie oplossingsgericht toegepast bij een gezin met een puber met autismespectrumstoornis
Bart Roussard
, psychiater, ambulante praktijk Vzw Invivio, Stokrooie-Hasselt
Linda Mommen, psychotherapeute, psychotraumatologe, Vzw Invivio, Stokrooie-Hasselt

Therapeut en gezin construeren samen de therapeutische alliantie waarbij het gezin de expert is van zijn doelstellingen en keuzes en de therapeut de expert is van zijn therapeutische methode en het therapeutisch proces.
Er kunnen nogal wat conflicterende eisen ontstaan tussen ouders en kinderen waarbij het spectrum van macht en kracht voortdurend een rol speelt. In het omgaan met een jongere met autismespectrumstoornis is het goed om stil te staan bij zijn beperkingen én bij zijn mogelijkheden. Uitgangspunt is om éérst de jongere te leren kennen en daarna pas zijn problemen. Het is belangrijk dat het gezin een actieve rol speelt bij het uitzoeken van wat voor de jongere het beste is.
We dienen manieren te vinden om de jongere te bereiken en te proberen met ongebruikelijke en creatieve middelen te communiceren. Het gezin is een waardevolle hulpbron voor de jongere, los van wat er individueel met hem/haar gebeurt. De therapeut faciliteert daarbij het proces met technieken, opdrachten en experimenten om het gezin het stuur in handen te geven en een context te creëren waarin het gezin en de jongere voor zichzelf andere gewoontes kan ontwikkelen.
Het werken met jongeren met autismespectrumstoornis is zoeken naar een delicaat evenwicht, waarbij we stilstaan bij de specifieke gezinssituatie en het werken met jongeren die zich anders uitdrukken dan andere jongeren.

M03.3 De patiënt ontmoeten op de afdeling: nog van deze tijd?
Tom Delvaux
, begeleider, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Bie Garcet, verpleegkundige,UPC Sint-Kamillus, Bierbeek 
Lies Vervoort, verpleegkundige,UPC Sint-Kamillus, Bierbeek 
Lieve Vanhee, therapeutisch coördinator, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

De kracht van de hulpverlening: de kracht van zorg op maat, van de perfect afgestemde samenwerking van het netwerk rond de patiënt, van zorgplannen en –doelen, naadloos gesponnen in modieuze actuele software, van spreken over empowerment en herstel… De verdere professionalisering van de geestelijke gezondheidszorg is goed en noodzakelijk vanuit onze beroepstrots, en een essentieel houvast op de dagelijkse werkvloer.
De hedendaagse vormgeving van het ggz-landschap is evenwel ook gegroeid binnen een maatschappij die streeft naar perfectie, maakbaarheid en controleerbaarheid. Wat we 'doen' moet zichtbaar zijn, getoetst, doeltreffend en efficiënt bevonden.
In deze bijdrage reflecteren we over wat deze ontwikkeling teweeg brengt bij de basis. Welke kansen, welke valkuilen? Hoe kunnen we, bijvoorbeeld, nog stilstaan bij de betekenis van een psychiatrische opname voor de patiënt, zonder hem en onszelf te verliezen in een goed geoliede machine van behandelplannen en zorgtrajecten? Is er niet het risicio dat onze professionele ‘kracht' wordt aangewend als vorm van 'macht', zeker in confrontatie met het oncontroleerbare?
Dat we (tevergeefs) in onze zorg te veel op zoek zullen gaan naar pasklare, theoretische antwoorden? Dat we patiënten reduceren tot ziektebeelden om de juiste behandelvorm te kunnen toepassen? Kunnen patiënt en zorgverlener nog zichzelf blijven in relatie tot elkaar en de wereld? Hoe blijven we mekaar ontmoeten?
Deze bijdrage gaat over (h)erkennen van wat er dagelijks rond en met ons gebeurt, over de existentialia die patiënt en hulpverlener delen, en over hoe we mekaar zouden kunnen tegenkomen, ten goede. Een kans.

M03.4 Kracht zonder macht: persoonsgerichte bewindvoerders staan klaar voor mensen met psychische problemen, op basis van gelijkwaardigheid, met ruimte voor overleg en inspraak
Marianne De Boodt
, juriste, Similes vzw, Heverlee
Martine De Moor, projectcoördinator persoonsgerichte bewindvoering, Similes vzw, Drongen

Similes biedt aan familieleden, hulpverleners, vrederechters, personen met psychische problemen,... de mogelijkheid aan om beroep te doen op de persoonsgerichte bewindvoerders, die kunnen ingezet worden voor personen met ernstige problemen op vlak van goederenbeheer.
Het zijn stuk voor stuk gedreven vrijwilligers, die een concreet sociaal engagement opnemen en deskundigheid en warme menselijkheid combineren. Alle kandidaat bewindvoerders volgen een méérdaagse opleiding in het kader van Similes en worden op basis van hun deskundigheid en sociale kwaliteiten geselecteerd.
Momenteel worden 102 dossiers persoonsgericht beheerd door bewindvoerders van Similes. Het project is vooral in Oost- en West-Vlaanderen actief maar uitbreiding wordt in het vooruitzicht gesteld. De bewindvoerders worden door Similes ondersteund bij hun vragen en problemen in de uitoefening van hun functie.

Dinsdag 18 september 2012 14u00-15u30
M04  Verstandelijk gehandicapten

M04.1 Emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking
Els Ronsse
, psycholoog, PsySense, Asper

Binnen de vermaatschappelijking van de zorg komt de reguliere hulpverlening meer en meer in contact met mensen met een verstandelijke beperking. De emotionele ontwikkeling is een wezenlijk aspect van de persoonlijkheidsontwikkeling en is vaak in grote mate bepalend voor het algemeen functioneren. Het inschatten van en afstemmen op het emotionele ontwikkelingsniveau is een noodzakelijke stap binnen een adequate en kwaliteitsvolle beeldvorming en ondersteuning van deze cliënten. Met zijn ontwikkelingsdynamische benadering en beschrijving van de verschillende fasen in de emotionele ontwikkeling leverde Anton Došen (2005) hiertoe een belangrijke bijdrage. Zijn Schaal voor Emotionele Ontwikkeling (SEO, 1990) werd recent herwerkt door een groep mensen die vooral in de praktijk werkzaam zijn. Met behulp van het Steunpunt Expertisenetwerken (SEN vzw) werd deze schaal, samen met haar gebruiksmogelijkheden en handvatten voor de praktijk, in twee publicaties gegoten: ‘Emotionele ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking en ‘SEO-R: Schaal voor Emotionele Ontwikkeling bij mensen met een verstandelijke beperking – Revised’. De schaal zelf wordt gebruikt in Vlaanderen en Nederland.
Kennis over de emotionele ontwikkeling geeft de hulpverlener handvatten om zijn ondersteuning aan mensen met een verstandelijke beperking (meer) op maat te bieden. Vreemd gedrag wordt dikwijls ‘normaler’ als men het leest en begrijpt binnen de (geblokkeerde) emotionele ontwikkeling van de cliënt.
Deze presentatie belicht de visie, de inschaling aan de hand van de SEO-R en de meerwaarde van het afstemmen van de hulpverlening op het emotionele ontwikkelingsniveau van een cliënt, met verwijzingen naar eerstelijnszorg, cgg’s, psychiatrische ziekenhuizen.

M04.2 Cliënten met een verstandelijke handicap in therapie. Ervaringen in de samenwerking tussen een ambulante dienst in de gehandicaptenzorg (VAPH) en geestelijke gezondheidszorg
Anne Bongaerts
, vormingscoördinator, begeleider, Begeleid Wonen Leuven vzw, Kessel-lo

Als ambulante dienst in de gehandicaptenzorg biedt de dienst Begeleid Wonen Leuven ondersteuning aan volwassen personen met o.a. een verstandelijke handicap in hun zelfstandig wonen. Begeleiders komen tegemoet aan de individuele hulpvragen van de cliënt. Daarbij is evenveel - zoniet meer - aandacht voor de nood aan psychosociale ondersteuning.
Wanneer de emotionele en psychische problemen van de cliënt (deze zijn bij personen met een verstandelijke handicap meer aanwezig dan bij de normale volwassen populatie) een té zware belasting zijn en bijgevolg een psychotherapeutische aanpak vragen, zal de begeleider zijn cliënt doorverwijzen naar een dienst ggz. Afhankelijk van de ernst van de psychische, psychiatrische en/of gedragsproblemen gebeurt de verwijzing naar een ambulante of residentiële setting.
Dit is vaak een moeizame zoektocht, niet alleen omdat er dikwijls een ellenlange wachtlijst is maar bijkomend omdat deze doelgroep zorg op maat vraagt. Omwille van hun beperkte communicatieve vaardigheden en beperkte mogelijkheid tot reflectie vinden deze mensen meestal geen aansluiting met de klassieke psychotherapeutische benadering.
In deze bijdrage willen wij onze ervaringen in de samenwerking met ggz meedelen.
Specifiek deze met het Kom Binnen-project, dat een ambulant en gespecialiseerd psychotherapeutisch aanbod voor personen met een verstandelijke handicap aanreikt.
Aan de hand van concrete casussen tonen we o.a. aan hoe belangrijk de brugfunctie van een begeleider is in deze samenwerking.

M04.3 Ambulante hulpverlening bij personen met een dubbeldiagnose (verstandelijke beperking in combinatie met psychiatrische problemen) - Het outreachproject Vlaams-Brabant: stand van zaken drie jaar na de opstart
Isabel Piot
, orthopedagoge, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

In juli 2009 werd in vier provincies van België het project dubbeldiagnose (= outreachproject) opgestart. Zowel de residentiële als de ambulante geestelijke gezondheidszorg gaat binnen het outreachproject van Vlaams-Brabant outreachend te werk. De outreachteamleden bieden voor- en nazorg aan (mogelijke) psychiatrische patiënten met een verstandelijke beperking aan. In het kader van de voorzorg wordt er getracht om een crisisopname/heropname te vermijden en preventief aan kortdurende behandeling in de thuissituatie/thuisvervangende situatie te doen. Langs de andere kant, wanneer een opname aangewezen of noodzakelijk is, wordt getracht deze opname voor te bereiden. Wat de nazorg betreft, tracht het outreachteam de overgang van een psychiatrische opname naar de thuissituatie/thuisvervangende situatie te vergemakkelijken. Het outreachaanbod bestaat voornamelijk uit diagnostiek, psycho-educatie, opvolging van de medicamenteuze behandeling en netwerking organiseren. Basisdoelstelling is het ter plaatse brengen van behandeling en zorg buiten de muren van de geestelijke gezondheidszorg naar personen met een dubbel diagnose. Eveneens is het de bedoeling om de levenskwaliteit van de personen binnen hun context te verhogen.
Deze mededeling brengt een voorstelling van het project en de werkmethode. Daarnaast beschrijven we waar we na drie jaar outreachend werken staan en hoe we de toekomst verder zien. We beschrijven welke plaats het project in het zorglandschap inneemt en het belang dat we hechten aan samenwerking binnen de hulpverlening.

Dinsdag 18 september 2012 16u00-17u30
M05  Samenwerking

M05.1 Forensische zorg: circuit of kortsluiting
Joachim De Ridder
, psycholoogcoördinator, gevangenis van Merksplas
Ine Cogneau, psycholoogcoördinator, gevangenis van Turnhout

De psychomedische zorgequipes vierden intussen hun vijfjarig bestaan. We verlenen binnen de gevangenissen psychiatrische zorg aan geïnterneerden en trachten hen voor te bereiden op een verdere (residentiële) behandeling. Onze cliënten zijn vaak getekend door de vele gesloten deuren die ze al te zien kregen, velerlei verhalen over uitsluiting en afwijzing bereiken ons dan ook dagelijks in onze klinische praktijk. Wat echter het frequentst en meteen ook het hardnekkigst – zowel qua duur als qua emotie – aanwezig is, zijn de verhalen over de moeilijke overgangsmomenten van buiten naar binnen de gevangenismuren en omgekeerd. Daar waar wij geneigd zijn om te spreken over een forensisch zorgcircuit wordt deze overgang door cliënten vaak beleefd als een stap terug en een radicale breuk in de behandeling.
Deze bevindingen kwamen we ook tegen in internationaal onderzoek en het leek ons dan ook belangrijk de mogelijke verklaringen hiervoor onder de loep te nemen. Meer bepaald vragen we ons af wat maakt dat cliënten, ondanks een vaak aanhoudende weerstand tegen het ‘etiket’ geïnterneerde en tegen de opsluiting an sich, een overgang naar een andere context vaak niet als positief ervaren. Wat maakt het zo moeilijk om een verdere behandeling aan te vatten en vol te houden? Door het specifieke kader waarbinnen we werken, is onze zorg niet dwingend of alleszins minder dwingend dan in een andere residentiële setting. Kan dit een zodanige invloed hebben dat cliënten een gevangeniscontext verkiezen boven een behandeling en welke invloed heeft dit klimaat op institutionalisering van cliënten?

M05.2 Palliatieve zorg inspireert psychiatrie tot innovatie
Iris De Coster
, senior onderzoeker, LUCAS Centrum voor zorgonderzoek en consultancy, Leuven

Situering
Door toenemend wetenschappelijk onderzoek is er een groeiend arsenaal aan diagnostische en therapeutische mogelijkheden beschikbaar in psychiatrie. Toch is de onmacht groot ten aanzien van personen met ernstige en langdurige psychiatrische problemen die therapieresistent lijken. Soms leidt dit tot therapeutische hardnekkigheid. Kan de palliatieve benadering voor deze doelgroep een meerwaarde betekenen?
Methode
Op 11 februari 2011 organiseerde de werkgroep Palliatieve zorg en Psychiatrie een expertendag: 42 professionelen uit diverse beroepsgroepen wisselden ideeën uit over wat de psychiatrie kan leren en integreren van de palliatieve benadering. Ze vertrokken vanuit twee casussen om na te gaan wat helpend is voor personen met psychisch lijden die ‘uitbehandeld’ zijn. De bevindingen van de expertendag werden geanalyseerd met NVivo, een kwalitatief informatieverwerkingsprogramma.
Resultaten
De resultaten gaan in op een typering van de doelgroep, de noden van de hulpverleners, effectieve zorgbenaderingen en de eigenheid van een palliatieve psychiatrie ten opzichte van andere benaderingen (o.a. rehabilitatie). Tot slot komen ideeën voor het werkveld en voor de overheid aan bod.
Discussie
Wat zouden wenselijke innovaties zijn in de zorg voor personen met ernstige en langdurige psychiatrische problemen die ‘uitbehandeld’ zijn? Hoe kunnen we de kernkwaliteiten van de palliatieve benadering inzetten om de zorg voor de doelgroep te optimaliseren?

M05.3 Zorg voor ouderen vanuit multipartij samenwerking
Inge De Sloovere
, projectmanager, Menos vzw, Genk
Eveline Eerdekens, N. Plessers, Bert Rayen, Paul Olbrechts, Nicolas Timmermans, Menos vzw, Genk

Vzw Menos is een samenwerkingsinitiatief tussen verschillende zorgpartners met als doel een zorgpad te ontwikkelen voor zorgbehoevende ouderen met psychische en/of cognitieve problemen en hun systeem. Deze vorm van samenwerking tussen zorg- en hulpverleners, mantelzorgers en de patiënt zelf speelt zich af in een zorglandschap dat heden ten dage aan ingrijpende veranderingen onderhevig is.
Tegen de achtergrond van maatschappelijke veranderingen (toenemende vergrijzing) en nieuwe uitdagingen binnen de geestelijke gezondheidszorg (vermaatschappelijking van zorg) en ouderenzorg, zoeken de betrokken partners samen naar een manier om de patiënt en zijn systeem te begeleiden.
De zorg gebeurt er in direct samenspel met de hulpvrager en zijn omgeving. De hulpverlener kan gezien worden als een “ambulant metgezel”, en de mantelzorgers “ als partners in zorg”. Zo kan het draagvermogen van de natuurlijke context beter opgevolgd worden en indien nodig tijdelijk bijgestaan. Op deze manier wordt er tevens tegemoet gekomen aan de vraag naar continuïteit van zorg.
Sectoroverschrijdende samenwerking en uitwisseling van expertise zijn in deze een kracht die meermaals wordt aangewend.
Het samenwerkingsinitiatief, organisch gegroeid vanuit de noden die de verschillende zorg- en hulpverleners ervaren in hun dagelijkse werking met de doelgroep, stelt een zorgcircuit voor waarin de oudere patiënt met psychische en cognitieve problemen wordt opgenomen en begeleid.
Het samenwerkingsinitiatief Menos brengt een eerlijk relaas over het proces en de complexiteit van deze multipartij samenwerking, evenals de strategie die werd gevolgd om een duurzaam antwoord te ontwikkelen t.a.v. de doelgroep.

Dinsdag 18 september 2012 16u00-17u30
M06  Onderzoek
 
M06.1 Meten is (meer dan) weten: follow-up onderzoek in een residentiële setting
Eva Dierckx
, stafmedewerker onderzoek, PK Broeders Alexianen, Tienen

Achtergrond
Een gangbaar onderdeel van kwaliteitsvolle zorg is het meten van behandeluitkomsten. De term uitkomstenonderzoek duikt meer en meer op, ook in de geestelijke gezondheidszorg. We zullen moeten “meten om te weten”. In de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen te Tienen hebben we echter bij de invoering van follow-up onderzoek (i.e. herhaalde metingen) gemerkt dat meten veel meer kan inhouden dan alleen maar weten.
Doelstelling
In deze presentatie tonen we aan op welke manier herhaalde metingen van belang kunnen zijn, niet enkel om de effectiviteit van een behandeling na te gaan, maar zeker ook als vorm van feedback voor individuele patiënten (kan motiverend werken) en teams (inzichten in groepsveranderingen).
Methode en resultaten
Aan de hand van twee praktijkvoorbeelden (1. afdeling voor eetstoornissen en 2. afdeling voor afhankelijkheidproblemen) wordt geïllustreerd op welke manier de resultaten van herhaalde metingen een bijdrage kunnen leveren bij de verbetering van de zorg, zowel op niveau van de individuele patiënt als op niveau van afdelingsteams en beleid.

M06.2 Mindfulness voor adolescenten: een studie naar de effectiviteit van mindfulness trainingen in secundaire scholen in Vlaanderen
Katleen Van der Gucht
, wetenschappelijk medewerker, Mindfulness vzw, Heusden
Filip Raes, Margot Bastin, Tineke Vandenbroucke, KULeuven
Inge De Leeuw, David Dewulf, Mindfulness vzw, Heusden

Via een gerandomiseerde en gecontroleerde studie, waaraan 200 leerlingen deelnamen, werd nagegaan wat het effect was van een mindfulness-training speciaal ontworpen voor adolescenten in een schoolcontext. Interventie en controlegroepen werden met elkaar vergeleken voor de volgende parameters: depressie, angst, stress, zelfwaarde, piekeren, cognitieve reactiviteit, en mindfulnessvaardigheden. Deelnemers vulden hiertoe relevante instrumenten in pre, post en na zes maanden (follow-up).
De resultaten zijn bemoedigend en suggereren dat mindfulness een potentieel bruikbare methode is om de emotieregulatie bij jongeren te versterken. Verder wordt er dieper ingegaan op de kwalitatieve feedback van de jongeren op de training, het belang en de mogelijke bruikbaarheid van mindfulness interventies in het onderwijssysteem.

M06.3 Effectiviteit van een stressreductieprogramma in groepsverband
Tom Van Daele
, wetenschappelijk medewerker, Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin & Onderzoeksgroep voor gezondheidspsychologie, KULeuven
Debora Vansteenwegen, Dirk Hermans, Chantal Van Audenhove, Omer Van den Bergh, KULeuven

Achtergrond
Deze studie onderzocht de effectiviteit van een stressreductieprogramma in groepsverband. Het doel was om te bepalen of laagdrempelige psycho-educatie een langdurige reductie in stressklachten kan realiseren.
Methode
De deelnemers schreven zich vrijwillig in voor een programma van zes sessies van twee uur (één sessie per week gedurende zes weken). Daarin werd informatie over stress verstrekt en werden verschillende stressbeheersingstechnieken toegelicht. Deelnemers kregen een handboek en een cd met relaxatie-instructies. De interventiegroep (N = 47) werd vergeleken met een gematchte controlegroep (N = 47) op vier momenten: de week voor de interventie, vlak na de interventie en tijdens follow-upmetingen zes maanden en een jaar na afloop.
Resultaten
De resultaten toonden bij de interventiegroep een geleidelijke, lineaire daling van klachten die zich verder doorzette tijdens follow-up. De toepassing van stressbeheersingstechnieken bleef stabiel. Trendanalyse wees op significante dalingen van de meeste klachten bij de interventiegroep (p < .05). Analyses rond klinisch significante en betrouwbare verandering (49% van de deelnemers) bevestigden deze bevindingen.
Conclusie
Het programma zet een evolutie in gang naar klinisch significante en betrouwbare veranderingen in stressgerelateerde klachten die langdurig stand houden.

M06.4 Supported Employment modelgetrouwheid in Vlaamse arbeidsrehabilitatieprogramma’s
Jeroen Knaeps
, wetenschappelijk onderzoeker, LUCAS KULeuven

Introductie
Mensen met ernstige psychische problemen ondervinden veel moeilijkheden om een reguliere job te vinden en te behouden. Traditionele programma’s focussen op het voorbereiden van het individu in beschermde werkomgevingen. Evidence-based modellen zoals Supported Employment (SE) focussen op regulier werk, individuele begeleiding en samenwerking met geestelijke gezondheidszorg (ggz). Onderzoek toont aan dat SE tot betere tewerkstellingsresultaten leidt in vergelijking met traditionele programma’s.
De studie meet in welke mate verschillende Vlaamse arbeidsrehabilitatieprogramma’s volgens de principes van SE werken en welke barrières er bestaan.
Methode
Er werden achttien semigestructureerde interviews afgenomen van arbeidstrajectbegeleiders. De SE fidelity scale meet de modelgetrouwheid van de programma’s en barrières werden via open vragen bevraagd.
Resultaten
De gemiddelde modelgetrouwheid ligt zeer laag (M: 43.1, range 1-75), wat op beperkte implementatie van SE bij de onderzochte arbeidsrehabilitatieprogramma’s wijst. Vooral de integratie van ggz in arbeid blijft in gebreke. Ervaren barrières zijn o.a. instabiliteit van psychische problemen, gebrek aan sociale vaardigheden, hoge caseload, stigma en onvoldoende financiële subsidies.
Conclusie
Om samenwerking met de ggz te verbeteren, wordt een meer gestroomlijnde begeleiding, gemeenschappelijke vergaderingen en integratie in methodieken en subsidiëring aangeraden.
Continue begeleiding op de werkvloer met graduele afbouw in tijd verhoogt jobbehoud. Een lagere caseload is nodig om nazorg aan te kunnen bieden, welke noodzakelijk is bij mensen met problemen die een cyclisch karakter hebben.
Het onderzoek werd gefinancieerd door het Open KennisNetwerk (https://sites.google.com/a/vdab.be/openkennis/).


Woensdag 19 september 2012 09u15-10u45
M07  Suïcide

M07.1 Ervaringen van Vlaamse psychiaters met zelfdoding van een patiënt
Gert Scheerder
, senior onderzoeker, LUCAS KULeuven
Ines Rothes, Guido Pieters, Chantal Van Audenhove, KULeuven 

Een zelfdoding kan een zeer ingrijpende gebeurtenis zijn voor nabestaanden, maar ook voor hulpverleners die voor deze patiënt zorgden. Het roept verschillende sterke emoties op bij de hulpverlener en kan een negatief effect hebben op het persoonlijk en professioneel leven. In deze studie onderzochten we de ervaringen van Vlaamse psychiaters (N=107), via een bevraging onder de leden van de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie.
Meer dan 90% van de psychiaters werd reeds geconfronteerd met zelfdoding door een patiënt. De meest voorkomende reacties waren emotioneel lijden, gevoelens van onmacht en vertwijfeling, die enkele weken duurden. Bijna de helft rapporteerde veranderingen in de professionele praktijk, zoals een andere aanpak van suïcidale patiënten. De belangrijkste hulpbronnen bleken collega’s en de eigen familie, maar ook contact met de omgeving van de overledene. Een goede ondersteuning en de reacties van de psychiater na de zelfdoding bleken cruciaal voor de mate van impact van het gebeuren.
In deze bijdrage wordt verder ingegaan op de resultaten en implicaties van deze studie.

M07.2 Hulpzoekgedrag en sociaal cognitieve factoren in relatie tot suïcidecijfers in Vlaanderen en Nederland
Alexandre Reynders
, wetenschappelijk onderzoeker, LUCAS KULeuven
Gert Scheerder, Grieke Forceville, Geert Molenberghs, Chantal Van Audenhove

Inleiding
Jaarlijks sterven er in Vlaanderen ongeveer 1.000 mensen door suïcide. Het Vlaamse suïcidecijfer is hiermee 80% hoger dan dat in Nederland.
Om een verklaring te bieden voor deze vaststelling beantwoorden we in deze studie vier onderzoeksvragen. Is er een verband tussen de suïcidecijfers en 1. attitudes ten aanzien van suïcide in de bevolking; 2. eerdere suïcidale gedachten, suïcidaal gedrag en psychische problemen in de bevolking en 3. hulpzoekgedrag voor psychische problemen in de bevolking? Ten vierde, is er een relatie tussen enerzijds hulpzoekgedrag en anderzijds stigma en attitudes ten aanzien van hulp zoeken in de bevolking?
Dit onderzoek is een initiatief van het Centrum ter Preventie van Zelfdoding in samenwerking met LUCAS (KULeuven) met de steun van de Vlaamse Overheid.
Methode
Aan deze studie namen 3.100 personen tussen 18 en 64 jaar uit 20 regio’s in Vlaanderen en Nederland deel.
Resultaten
Uit de resultaten blijkt dat er een verband is tussen enerzijds regionale suïcidecijfers en anderzijds attitudes ten aanzien van suïcide en hulpzoekgedrag voor psychische problemen. Hulpzoekgedrag blijkt op zijn beurt geassocieerd te zijn met stigma en attitudes ten aanzien van hulp zoeken.
Conclusie
De overheid moet blijven inzetten op een betere toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg. Hierbij moet er niet enkel aandacht gaan naar organisatorische maatregelen maar ook naar het bevorderen van positieve attitudes ten aanzien van hulp zoeken en het verminderen van stigma.

M07.3 Suïcide en cyberpesten: case studies gebaseerd op internetmateriaal
Karolina Krysinska
, postdoctoraal onderzoeker, KULeuven
Karl Andriessen, Msuicidologie, Federatie van Tele-Onthaaldiensten, Gent

Sinds midden de jaren 1990 hebben hulpverleners en onderzoekers ernstige bezorgdheden geuit over een mogelijke negatieve impact van het internet op suïcidaal gedrag bij risicopersonen, en vooral bij adolescenten en jongvolwassenen. De meeste bezorgdheden houden verband met de gedetailleerde beschrijvingen van suïcidemethoden, het risico van online besmetting, online suïcidepacten en suïcide als een gevolg van cyberpesten. Cyberpesten is het opzettelijk en herhaaldelijk schade toebrengen via het gebruik van computers, gsm’s en andere electronische toestellen (Hinduja & Patchin, 2010). Het omvat een waaier van gedragingen van het posten van vernederende commentaren en geruchten via een website of een sociale netwerksite, het intimideren en stalken tot het negeren van een persoon.
Pesten in het algemeen en cyberpesten, zowel bij daders als slachtoffers, correleert met een aantal psychologische factoren, zoals laag zelfvertrouwen, hopeloosheid, depressie, angst, eenzaamheid en afgewezen worden door leeftijdsgenoten, die het risico op suïcidaliteit kunnen doen toenemen. Slechts enkele studies onderzochten het verband tussen cyberpesten en suïcide. De huidige exploratieve kwalitatieve studie gebruikt onlinemateriaal zoals krantenartikels en gerechtsverslagen om het psychologische profiel en risicofactoren te onderzoeken van drie adolescenten die werden gepest via het internet en die door suïcide zijn gestorven, met name Ryan Patrick Halligan (1989-2003), Megan Taylor Meier (1992-2006) and Tyler Clementi (1992-2010).
Referentie
Hinduja, S. & Patchin, J.W. (2010). Bullying, cyberbullying and suicide. Archives of Suicide Research, 14, 206-221

M07.4 Online hulpverlening in een geconnecteerde wereld
Ekke Muijzer
, stafmedewerker studiedienst en communicatie, Centrum ter Preventie van Zelfdoding, Jette

Er ontstaan nieuwe sociale netwerken online en off line tussen jongeren. Jongeren gaan op heel andere manier communiceren en hulp zoeken. Wij als hulpverleners moeten ons aanpassen aan dit nieuw gedrag en aanwezig zijn waar hun hulpvraag is.
Al een aantal jaren houdt het CPZ zich bezig met het ontwikkelen van nieuwe online-tools om een antwoord te kunnen bieden aan online, anonieme hulpvragen. Jongeren die zelfdodingsgedachten delen op anonieme fora en elkaar hiermee elkaar mogelijk aansporen tot suïcidaal gedrag zijn zeker zorgwekkend, maar bieden ons ook heel wat kansen. Het biedt namelijk de mogelijkheid om ze in een vroeg stadium op een anonieme en veilige manier in contact te brengen met hulpverleners. Zeker in een land als België waar de hoge suïcidecijfers gedeeltelijk te maken lijken te hebben met het taboe en stigma, is de nood aan nieuwe acties met een drempelverlagende karakter groot.
Een overzicht van wat tot nu toe werd gerealiseerd, onze ervaringen hiermee en de nieuwe ideeën die hieruit voort vloeien worden uiteengezet. Van hieruit schetsen we een beeld hoe online anonieme hulpverlening een bijdrage kan leveren aan suïcidepreventie.

Woensdag 19 september 2012 09u30-10u45
M08  Preventie en reflectie

M08.1 ‘Resilience’ of veerkracht: belang in preventie en een weg tot herstel van geestelijke gezondheid
Nicole Ruysschaert
, psychiater, zelfstandige praktijk, VHYP - ESH, Antwerpen

Veerkracht en weerbaarheid krijgen meer belangstelling in preventie en therapie. Ik geef een overzicht van het concept ‘veerkracht’ en onderliggende bio-, socio- en psychologische mechanismen en theorieën die je meer of minder weerbaar maken. Er wordt een link gemaakt tussen veerkracht en het risico op post-traumatische stressstoornis.
Praktisch overlopen we tien manieren om als hulpverlener en/ of cliënt de veerkracht te verhogen of te herstellen. De methodiek is gebaseerd op aanbevelingen van de American Psychological Association en uitgewerkt binnen (zelf)hypnose praktijk. In zelfhypnose maken we gebruik van suggesties, imaginaties, metaforen, en fysiologische veranderingen om optimaal resultaat te bereiken.

M08.2 Hoe de antropo-psychiatrie kan bijdragen in het denken over de organisatie van de GGZ
Leo Ruelens
, psychiater, Sint-Andriesziekenhuis, Tielt

Deze bijdrage is verplaatst naar M11.4

M08.3 Filosofische gesprekken in de gezondheidszorg
Fons Verhoelst
, klinisch- en gezondheidspsycholoog, seksuoloog, filosoof en psychoanalytisch psychotherapeut, Pellenberg

Wat is de plaats van filosofische gesprekken in de huidige geestelijke gezondheidszorg?
Vele mensen zijn hun houvast in grote verhalen kwijt gespeeld. Ook pastors en lekenconsulenten doen nog verwoede pogingen om hun aanbod op de markt te houden. In heel het dynamisch netwerk van hulpverlening komt aarzelend een nieuwe medespeler aan bod. Met in ons hoofd de idee van macht, kracht en de verdeling van de macht onder alle medespelers wordt de filosoof (vooral de psychotherapeutisch gevormde) iemand die met doordachte en theoretisch universitair gefundeerde filosofische vorming de mens terug tot een eigen verhaal zal trachten te brengen en dit ingebed in nieuwe gemeenschapsvormende verzameling van mensen. Dit aanbod geldt op de eerste plaats voor de hulpverleners zelf. In tweede instantie wordt het aanbod op grote schaal aangeboden in scholen, in filosofische cafés maar ook in individuele praktijken.
We zouden het misschien een contra-reformatie kunnen noemen tegen de apostolische ijver van de positieve wetenschappers die zowel de psychoanalyse als de religies als pseudowetenschappelijk en onverantwoord van de hand doen. De paradox is natuurlijk dat de filosofen zelf dan moeten zwijgen want ze hebben zelf geen falsifieerbare (Popper) uitspraken tenzij ze zich redden met de geesteswetenschappelijke methode (hermeneutiek) om te rechtvaardigen dat ze in het debat mogen meespelen.

Woensdag 19 september 2012 11u30-12u45
M09  Zorgvernieuwing 

M09.1 Pleegzorg voor personen met een psychiatrische problematiek: een plaats binnen het toekomstige ggz-beleid?
Marian De Groof
, wetenschappelijk medewerker, LUCAS KULeuven
Ann DeSmet, wetenschappelijk medewerker, LUCAS KULeuven
Lieve Van de Walle, directeur rehabilitatie, OPZ Geel
Chantal Van Audenhove, directeur, LUCAS KULeuven

In de psychiatrische pleegzorg worden personen met langdurige en meervoudige psychiatrische problemen opgenomen in pleeggezinnen en kunnen ze daarnaast rekenen op ondersteuning en zorg van professionele hulpverleners. In Geel bestaat dit systeem al sinds de 14e eeuw. Sinds 1884 bestaat het ook in het Waalse Lierneux.
In sommige landen (zoals Duitsland, Italië, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk) is de psychiatrische pleegzorg een vaste component aan het worden in het aanbod van zorgorganisaties. In tegenstelling hiermee neemt de psychiatrische pleegzorg in België geen volwaardige plaats in binnen de geestelijke gezondheidszorg. Dit blijkt uit het feit dat het enkel in Geel en Lierneux wordt aangeboden, wat het onmogelijk maakt om deze zorg dicht bij de natuurlijke context van patiënten aan te bieden. Daarnaast kent de psychiatrische pleegzorg in België een dalend aantal patiënten en pleeggezinnen, en is het voortbestaan onzeker door financiële problemen.
Onderzoekers van LUCAS (KULeuven) bogen zich over de vraag naar de plaats van psychiatrische pleegzorg binnen het toekomstige ggz-beleid. In een eerste fase werd hiervoor een literatuur- en documentstudie uitgevoerd. In een tweede fase bevroegen we de mening van verschillende betrokkenen over psychiatrische pleegzorg via een online-bevraging en interviews. In het totaal reageerden er 231 personen (pleeggezinnen, patiënten, personeelsleden van het OPZ Geel, personen uit de algemene bevolking van Geel en externe experten).
De studie werd gefinancierd door de F.O.D. Volksgezondheid. In deze bijdrage komen zowel de onderzoeksresultaten als de hieruit voortvloeiende aanbevelingen aan bod.

M09.2 Organisatiebrede invoering van herstelgericht werken in GGz Curaçao
Petra Gelan
, psychiater, SAPZ Dr. D.R. Capriles, Willemstad, Curaçao

Curaçao is een eiland in de Caraïben, voormalig onderdeel van de Nederlandse Antillen, nog steeds onderdeel van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Daarom is er voor de ontwikkeling van de ggz een sterke band met Nederland en Nederlandstalige gebieden.
In april 2010 werd de Stichting Geestelijke Gezondheidszorg Curaçao (GGz Curacao) opgericht. Hieronder vallen drie zorgbedrijven: Klinika Capriles (psychiatrisch ziekenhuis met 200 bedden), Fundashon Sonrisa (beschermde woonvorm) en Stichting Yudaboyu (kinderpsychiatrie ambulant en dagbehandeling). Mogelijk zullen in de toekomst ook de verslavingszorg en ambulante ggz deel gaan uitmaken van deze moederstichting.
In 2009 werd binnen Klinika Capriles gestart met Systematisch Rehabilitatiegericht Handelen (SRH) onder het statement: “Samen werken aan groei en herstel”. Visie van SRH is: presentiegericht, herstelgericht en krachtengericht werken. De methodiek is ontwikkeld door Wilken en den Hollander en cultuurspecifiek vormgegeven in de praktijksituatie van Curaçao.
In deze mededeling wordt gepresenteerd hoe deze visie, de hierbij horende cultuur en kernwaarden, en de methodiek organisatiebreed geïmplementeerd werden. En vooral hoe de lokale krachten en cultuur ingezet werden, o.a. via enkele projecten met verrassend creatieve resultaten.
Het proces wordt ook gemeten via:
  • Modelgetrouwheidsonderzoek SRH (ontwikkeld door het Trimbos-instituut in samenwerking met Storm Rehabilitatie - van Wijngaarden & Wilken, 2008)
  • Cultuuronderzoek
  • Patiënttevredenheidsonderzoek.

Woensdag 19 september 2012 11u15-12u45

M10 Beweging  

M10.1 De invloed van macht en kracht bij equitherapie
Ann Kloeck
, equitherapeut, Equi-librium, Zoersel
Karen Vermuyten, equitherapeut, Counselor, Equi-librium, Zoersel

Paarden zijn direct en eerlijk in omgang en helpen mensen congruent te zijn in hun acties en woorden. Het zijn prooidieren die sterk afhankelijk zijn van hun extreme gevoeligheid voor externe factoren waardoor ze reageren op de interne toestand en emoties van de cliënt. Door hun grootte en inherente kracht stralen ze macht uit en ontlokken ze een primair gevoel van vrijheid. De cliënt kan door het paard op een unieke manier worden gedragen en gemotiveerd. Psychotherapie met paarden kan zorgen voor fysisch contact op een manier die om ethische redenen niet mogelijk is met de therapeut.
Bij equitherapie (therapie met paarden) wordt een driehoeksverhouding aangegaan tussen de cliënt, de therapeut en het paard. De dynamische interactie die plaats vindt tussen cliënt en paard biedt een dimensie die niet kan worden bekomen in de typische setting van de therapiekamer. Het daarbij horende proces, dat zich anders met veel moeite, of helemaal niet zou afspelen, wordt hierdoor gemakkelijker en dragelijker voor de cliënt.
Equitherapie biedt natuurlijke opportuniteiten om problemen rond grenzen, zelfvertrouwen (kracht) en angst (macht) aan te gaan.
De resultaten bij kinderen en volwassenen aan de hand van equitherapie worden besproken. Speciale aandacht wordt besteed aan de invloed van de grootte, de kracht en de aanwezigheid van het paard. Het proces van een aantal cliënten wordt besproken.

M10.2 Internationale bewegingsrichtlijnen voor patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen
Davy Vancampfort
, kinesist, psychomotorisch therapeut, UPC KULeuven campus Kortenberg
Marc De Hert, Jan Knapen, Amber De Herdt, Michel Probst, UPC KULeuven campus Kortenberg

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de gezondheidsaanbevelingen die gelden voor de algemene bevolking niet van toepassing zijn bij patiënten met ernstige psychiatrische aandoeningen. Meer concreet dienen alle jongeren (tot 20 jaar) alle dagen van de week 60 minuten fysiek actief te zijn of minstens vijf dagen per week een bewegingsgerichttherapieaanbod van 60 minuten te krijgen. Voor inactieve jongeren wordt aanbevolen om te beginnen met 30 minuten matige fysieke activiteit per dag. Daarenboven dienen jongeren tweemaal per week, meer intense oefeningen uit te voeren, gericht op het verbeteren of het behoud van hun fysieke fitheid met inbegrip van spierkracht en lenigheid.
Alle volwassen patiënten dienen drie- tot vijfmaal per week gedurende tenminste 30 minuten per dag matig fysiek actief te zijn. De totale actievetijd van 30 minuten kan bekomen worden door het accumuleren van oefenperiodes van ten minste 10 minuten. Daarenboven dienen volwassenen tweemaal of driemaal per week oefeningen uit te voeren gericht op het verbeteren of het behoud van kracht, lenigheid en botstatus. Alle oudere patiënten (vanaf 65 jaar) dienen lichte tot matige fysieke activiteit in te passen in het dagelijks levenspatroon. Daarenboven dienen oudere patiënten oefeningen uit te voeren voor het behoud of het verbeteren van spierkracht, lenigheid, evenwicht en oog-hand-coördinatie.
Referentie
Vancampfort, D., De Hert, M., Skjaerven, L.V., Gyllensten, A.L., Parker, A., Mulders, N.,e.a. (2012). International Organization of Physical Therapy in Mental Health consensus on physical activity within multidisciplinary rehabilitation programmes for minimising cardiometabolic risk inpatients with schizophrenia. Disability and Rehabilitation, 34, 1, 1-12

M10.3 Psychomotorische therapie, anno 2012: valkuilen en uitdagingen
Michel Probst
, diensthoofd psychomotorische therapie, hoofddocent, UPC KULeuven campus Kortenberg / KULeuven

Psychomotorische therapie is een zorgactiviteit die via de motoriek, opgevat als een aspect van het psychisch functioneren, een veranderen van dit psychisch functioneren nastreeft. De psychomotorische therapie evolueerde binnen de psychiatrische centra van een vorm van bezigheidstherapie tot een meer gefundeerde, geïndividualiseerde en geïntegreerde benadering.
Nieuwe trends in de gezondheidszorg leiden er toe dat psychomotorisch therapeuten zich tegenwoordig op verschillende vlakken meer en meer moeten bewijzen en dit niettengestaande “het lichaam in beweging" vandaag in alle geledingen van onze maatschappij een heel belangrijk aandachtspunt is.
De leidraad van deze presentatie is: hoe kunnen we in 2012 als psychomotorisch therapeut het hoofd bieden aan en inspelen op al de uitdagingen in het werkveld, in het onderzoek en in het onderwijs?


Woensdag 19 september 2012 13u45-15u15
M11  Zorg op maat

M11.1 DOE-lijst, een oplossingsgericht ergotherapeutisch concreet assessmenttool
Kurt Kerkaert
, ergotherapeut, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV, Brugge

Na de eerste kennismaking met een patiënt ontstaat bij de therapeut een idee van therapieaanpak. Hoe kunnen we de patiënt in deze ‘machtsverhouding’ meer betrekken? En hoe komen we tot concrete doelen? Een opname op een paaz-dienst is meestal van korte duur. Concreter is dan beter.
Om deze vraag te beantwoorden ontstond de DOE-lijst op onze paaz-dienst. DOE staat voor Doelstellingen Onderzoek Ergotherapie. De DOE-lijst is een concreet ergotherapeutisch assessment, overgoten met een oplossingsgerichte saus. Op basis van enkele ergotherapeutische modellen kwam een vragenlijst tot stand die op zeer korte tijd een heel concrete therapeutische aanpak creëert.
Er zijn vijf rubrieken, met name activiteiten van het dagelijkse leven, productiviteit, vrije tijd, intrapersoonlijke vaardigheden en interpersoonlijke vaardigheden. Onder elke rubriek staan mogelijke doelen, geformuleerd volgens het ‘smart’-principe. De patiënt scoort de uitvoering van deze doelen. Daardoor ontstaat bij de patiënt een selectie van doelen en tegelijkertijd een volgorde van belangrijkheid. Samen met een ergotherapeut kunnen tot vijf doelen geselecteerd worden. Telkens wordt bepaald hoe de concrete aanpak zal zijn.
Tijdens de mededeling wordt de ergotherapeutische en oplossingsgerichte achtergrond toegelicht en het dagelijks gebruik uitgelegd.

M11.2 Het behandelplan: een werkmap voor de patiënt
Els Dhondt
, ergotherapeut, oplossingsgerichtsysteemtherapeut i.o., dagkliniek OPZ Geel
Joeri Van Looy, teamcoördinator, oplossingsgerichtsysteemtherapeut, dagkliniek OPZ Geel
Elvira Jacobs, psychiatrisch verpleegkundige, oplossingsgerichtsysteemtherapeut i.o., dagkliniek OPZ Geel

Het Poorthuisteam van de dagkliniek van het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum te Geel vertrekt voor haar ganse werking vanuit de oplossingsgerichte systeemtherapie. Gebaseerd op deze visie leggen we het behandelplan vanaf de eerste dag van opname (letterlijk en figuurlijk) in de handen van de patiënt. De patiënt wordt gevraagd het team te sturen in de begeleiding die zijn doelstellingen en verwachtingen nastreeft.
We ontwikkelden een “Werkmap – Behandelplan" waarin de patiënt zijn doelen formuleert, aan de slag gaat met deze veranderingswensen en ze evalueert en bijstuurt. De werkmap dient als houvast, als communicatiemiddel en als ondersteuning om de zorg op maat van de patiënt af te stemmen en de patiënt uit te nodigen om zelf veel verantwoordelijkheid op te nemen. Het is de rode draad door gans het behandelingsproces van de patiënt.
We overlopen de werking van deze “Werkmap – Behandelplan" en staan stil bij hoe dit volledig geïmplementeerd werd in gans de werking van de psychotherapeutische dagkliniek. Tevens hebben we oog voor de meerwaarde van deze werking voor de patiënten en het team.

M11.3 Getrapte psychodiagnostiek i.f.v. goede zorg op maat van iedere patient
Ann Vandeputte
, psycholoog, diensthoofd psychologische dienst,PK Broeders Alexianen, Tienen  
Els Pauwels, klinisch psycholoog, onderzoeker, PK Broeders Alexianen, Tienen

Vijf jaar geleden bouwden we met ons residentieel diagnostisch team aan een nieuwe aanpak: voor iedereen hetzelfde diagnostisch aanbod bleek onhaalbaar en niet langer gewenst. Afdelingspsychologen vertoonden vermijdingsreacties ten aanzien van diagnostiek wegens te tijdrovend en weinig inspirerend bij therapie. Teams vonden dat de output van het diagnostisch onderzoek onbegrijpbaar was en diagnostisch materiaal bleef duur. Velen vonden psychodiagnostiek weinig aanlokkelijk. Maar psychodiagnostiek hoort erbij, en kan een goede aanzet geven tot kwaliteitsvolle therapie.
We werken de stepped care-gedachte (zie aanbeveling WHO) uit in een getrapt systeem van diagnostiek. We gaan uit van een weinig invasieve en een weinig tijdrovende screening voor iedere patiënt als basis voor goede zorguitbouw. Naargelang nodig, worden geëigende middelen ingezet voor verdere diagnostische verfijning. We formuleren voorstellen om deze screening te integreren in een behandelplan waar zowel de patiënt als een team mee aan de slag kan. Tot slot stellen we de mogelijkheid van computergestuurde testafnames voor.

M11.4 Hoe de antropo-psychiatrie kan bijdragen in het denken over de organisatie van de GGZ
Leo Ruelens
, psychiater, Sint-Andriesziekenhuis, Tielt

(Voorheen M08.2) We wensen de aandacht te vestigen op enkele basisaannamen uit een antropologisch
gedachte psychiatrie, om van daaruit een belangrijke kritiek te kunnen formuleren op de geplande organisatie van de ggz.
We willen daarbij stilstaan bij een drietal punten:
1. Het probleem van de overdracht en de rol van het subject van de patiënt. Doorverwijzingen in een netwerk van zorgcircuits zijn minder evident dan blijkt. Het gaat om een veel verder reikend concept dan de vrije keuze. De rol van de (eerste) overdracht wordt toegelicht.
2. Macht en kracht zijn gevaarlijke dynamieken, die zelfs als metafoor bedenkelijk zijn in de ggz-zorgverlening. Uitgelegd wordt waarom. Het gaat meer om fantasmen van sommige hulpverleners en de inrichtende machten, die echter contra-productief kunnen zijn in de behandeling.
3. Oproep om te investeren in residentiële zorg, in plaats van die af te bouwen.
Argumentatie wordt ontwikkeld.