18 en 19 september 2012
Antwerpen, Wilrijk - Campus Drie Eiken
Macht en kracht: zorgrelaties in verandering

symposia

Dinsdag 18 september 2012, 11u30-13u00
S01   Sociale cognitie bij psychiatrische patiënten
voorzitter Marianne Destoop

S01.0 Inleiding
Marianne Destoop
PhD student, onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen

De laatste jaren werd veel onderzoek verricht naar de sociale cognitieve functies. Het onderzoek naar sociale cognitie bij veel psychiatrische stoornissen staat echter nog in de kinderschoenen. Tijdens deze inleiding wordt een overzicht gepresenteerd van de processen die belangrijk zijn bij sociale cognitie, meer in het bijzonder bij psychiatrische patiënten.

S01.1 Better to give than to take? Interactieve sociale besluitvorming bij majeure depressie
Marianne Destoop
, PhD student, onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen, Wilrijk

Recente literatuur suggereert dat de sociale besluitvorming bij depressie gestoord is. Tot op heden is onderzoek naar sociale besluitvorming bij depressieve patiënten echter zeer beperkt. Bovendien wordt in de meeste studies rond sociale besluitvorming niet gekeken naar het sociaal interactief gedrag.
We brengen een overzicht van de bestaande literatuur rond sociale besluitvorming bij depressie, en stellen de resultaten van een onderzoek naar interactieve sociale besluitvorming bij depressie voor.
In deze studie namen 39 patiënten met een ernstige majeur depressieve stoornis (MDD) en 22 controles deel. Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat MDD-patiënten dezelfde eerlijkheidsoverwegingen maken als controles. Daarnaast lijken MDD-patiënten meer geneigd om afwijzing te vermijden, wat verklaard kan worden door een gestoorde second-order mentalizing en een verhoogde harm avoidance.

S01.2 Sociale cognitie van pool tot pool
Anke Temmerman
, MSc psychologie, doctoraatsstudent, onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen

Recente literatuur suggereert een cruciale rol van sociaal-cognitieve deficieten in het dagelijks functioneren, ofwel functional outcome, van psychiatrische patiënten. Sociale cognitie is een cognitief domein dat betrokken is bij de perceptie, interpretatie en verwerking van sociale informatie en speelt dus een belangrijke rol speelt in het begrijpen van sociaal gedrag en de ruimere sociale omgeving. Er heerst tot op heden echter nog veel onduidelijkheid over de mate van aantasting van sociale cognitie, diens neurale correlaten en diens effect op de functional outcome bij psychiatrische stoornissen en bipolaire stoornis in het bijzonder. Met deze studie beogen we deze hiaten in het onderzoek naar sociale cognitie en functional outcome bij bipolaire stoornis aan te pakken door voor het eerst een reeks klinische, neurocognitieve en sociaal-cognitieve meetinstrumenten af te nemen bij 90 bipolaire patiënten in depressieve, euthyme of (hypo)mane fase. Hierbij richten we ons op twee subdomeinen van sociale cognitie, namelijk emotieperceptie en sociale besluitvorming, die we ook elektrofysiologisch meten om na te gaan of er afwijkende EEG-patronen kunnen worden vastgesteld in relevante hersenregio’s.
Zes maanden na het onderzoek wordt eenmalig een reeks vragenlijsten ter invulling opgestuurd naar de studiedeelnemers. De verkregen data wordt daarna onderling vergeleken tussen de drie patiëntengroepen onderling en met een controlegroep van gezonde vrijwilligers. Deze studie is eind november 2011 van start gegaan.

S01.3 Reading minds: sociale cognitie bij schizofrenie
Javier de la Asuncion
PhD student, onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen

De laatste decennia is er steeds meer onderzoek verricht naar sociale cognitie bij schizofrenie. De aanleiding hiervoor was de ontdekking dat sociale cognitie een betere voorspeller bleek te zijn voor de functionele uitkomsten van deze patiënten dan klassieke neurocognitieve maten. Dit wil zeggen dat men aan de hand van de ernst van de sociaal-cognitieve symptomen kan voorspellen hoe goed of slecht iemand zal kunnen functioneren binnen de maatschappij. Echter, de meeste meetmethodes voor sociale cognitie zijn passief van aard, met taken die de realiteit nauwelijks benaderden. Met meer interactieve taken die zich richten op ‘daadwerkelijk’ gedrag in verschillende sociale contexten en interactieve situaties hebben wij dit probleem proberen te overbruggen. In combinatie met EEG/ERP-metingen hebben wij gekeken naar zowel de gedragsmatige als de elektrofysiologische verschillen tussen 24 patiënten met schizofrenie of schizoaffectieve stoornis (DSM IV-TR) en 24 gezonde vrijwilligers tussen 18 en 45 jaar. De eerste resultaten van deze studie worden gepresenteerd en besproken.

Dinsdag 18 september 2012, 11u30-13u00
S02  Cognitieve zelfcontrole en de relatie tot herval in middelenmisbruik
voorzitter Geert Dom

S02.0 Inleiding
Geert Dom
, psychiater, professor, PC Broeders Alexianen, Wilrijk

Herval is een centraal begrip binnen verslavingsprocessen. Begrijpen van factoren die het risico op herval beïnvloeden is dan ook uitermate belangrijk. Heel wat onderzoek heeft zich de laatste jaren hierop gericht, maar tot op heden zijn er weinig klinische markers gevonden die dit risico significant kunnen voorspellen. Recent onderzoek toont dat neurocognitieve maten een belangrijk potentieel hebben.
In dit symposium stellen we enkele resultaten voor van eigen onderzoek.

S02.1 Impulsiviteit als neurocognitief en persoonlijkheidsconstruct: een onomkeerbare risicofactor voor ongunstige behandelingsrespons? 
Laura Stevens
psycholoog, Universiteit Gent

Onderzoek toont aan dat impulsiviteit een cruciale rol speelt in de pathogenese van verslavingsgedrag. Impulsiviteit is een belangrijke predispositionerende factor voor het ontwikkelen van een verslavingsproblematiek en chronisch druggebruik zorgt mogelijk voor een toename in impulsief gedrag. De laatste jaren is er bovendien toenemende evidentie dat impulsiviteit, naast een cruciale rol in de initiatie en continuatie van verslavingsgedrag, ook in belangrijke mate gerelateerd is aan verschillende behandelingsuitkomsten. Gedurende deze presentatie wordt er dan ook verder ingegaan op de specifieke rol van impulsiviteit in het bepalen van de behandelingsrespons. We onderscheiden verschillende componenten van impulsiviteit (persoonlijkheids- en neurocognitieve aspecten) en belichten de rol van deze dimensies in het voorspellen van herval, abstinentie, behandelingsduur en drop-out bij gebruikers van verschillende middelen (i.e., cocaïne, opiaten, alcohol en nicotine).
Aangezien pathologisch gokken steeds meer erkend wordt als een ‘gedragsmatige verslaving’ die heel wat klinische en biologische gelijkenissen vertoont met drugsmisbruik, zal de rol van impulsiviteit in de behandelingsrespons van deze populatie eveneens worden toegelicht.
De centrale thesis van deze bijdrage is dat, hoewel impulsiviteit een substantiële rol speelt in het bepalen van de behandelingsrespons in diverse groepen, deze relatie wellicht gemodereerd wordt door specifieke kenmerken van het behandelingsprogramma. Meer specifiek ondersteunt toenemende evidentie het idee dat een aantal behandelingsprogramma’s, wellicht door hun capaciteit om in de spelen op de neurobiologische en neurocognitieve basis van impulsiviteit, in staat zijn om de negatieve invloed van impulsiviteit op de behandelingsrespons te bufferen.

S02.2 Impulsiviteit: een voorspellende factor van herval bij pathologische gokkers?
Bieke De Wilde
psycholoog, CAPRI, Universiteit Antwerpen

Onderzoek bevestigt dat een verhoogde impulsiviteit kenmerkend is voor personen met verslavingsgedrag. Bij personen met een chemische verslaving lijkt deze verhoogde impulsiviteit bovendien ook gecorreleerd met een verhoogde kans op herval na opname. Dit gegeven is minder bekend bij personen met een niet-chemische verslaving waaronder ook de pathologische gokkers.
In deze bijdrage worden de onderzoeksresultaten van een longitudinaal onderzoek bij pathologische gokkers voorgesteld.

S02.3 Het versterken van cognitieve zelfcontrole met een cognitive enhancer, modafinil, en de relatie tot herval bij abstinente alcoholafhankelijke patiënten
Leen Joos
psycholoog, CAPRI, Universiteit Antwerpen

Vanuit de literatuur komt een sterke evidentie naar voren dat cognitieve functies een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling, het verloop en de terugval bij alcoholafhankelijkheid. In het bijzonder zien we dat vooral problemen in de zelfregulatie (impulsief gedrag) en gedrag dat tot stand komt wanneer men wordt geconfronteerd met drug-gerelateerde stimuli (craving) leiden tot een verhoogd risico op herval. Tot op heden zijn de farmacotherapeutische mogelijkheden beperkt tot reductie van craving (met o.a. acamprosaat, naltrexone) en aversietherapie (disulfiram). De neurobiologie van verslaving toont echter aan dat versterking van het controlesysteem ook kan bijdragen tot een reductie van gebruik en herval.
Daarom werd met een gerandomiseerd, dubbelblind, placebogecontroleerd onderzoek de effectiviteit onderzocht van een cognitive enhancer, modafinil. 83 alcohol-afhankelijke patiënten volgden gedurende tien weken een behandeling met modafinil (300 mg/dag – enkele dosis ‘s morgens), of placebo. Zowel neurocognitieve gedragstaken (die impulsiviteit en cognitieve functies meten), als zelfrapportage-vragenlijsten werden afgenomen voor, tijdens en na de behandeling. De patiënten werden vervolgens tot zes maanden na behandeling telefonisch opgevolgd om herval in kaart te brengen. Enerzijds wordt de interactie tussen impulscontrole, craving voor druggerelateerde stimuli en de kwetsbaarheid voor herval toegelicht; anderzijds wordt de effectiviteit nagegaan van een tien weken durende behandeling met modafinil bij abstinente alcoholafhankelijke patiënten. Er wordt verwacht dat modafinil de cognitieve zelfcontrole verbetert, de tijd tot een eerste herval verlengt en de frequentie en ernst van herval reduceert. 

Dinsdag 18 september 2012, 11u30-13u00
S03  De kracht van muziek in een therapeutische relatie.
Mogelijkheden en grenzen van muziektherapie als non-verbale psychotherapie bij de behandeling van jongeren, volwassenen en oudere patiënten in een psychiatrische kliniek
voorzitter Jos De Backer

S03.0 Muziek ontroert, verbindt, resoneert in de Ander…
Jos De Backer
, diensthoofd muziektherapie, professor, UPC KULeuven campus Kortenberg

Welke muzikale en therapeutische interventies hanteert de muziektherapeut om een therapeutische relatie te ontwikkelen met de jongere, de volwassene en de oudere patiënt? In welke mate speelt de muzikale persoonlijkheid van de muziektherapeut een rol?
In vier bijdragen buigen muziektherapeuten van het Universitair Psychiatrisch Centrum, campus Kortenberg zich over de specifieke therapeutische mogelijkheden van muziek elk vanuit hun klinische ervaring bij verschillende doelgroepen. Alle bijdragen worden rijkelijk geïllustreerd met video- en audiomateriaal.

S03.1 Muzikale overdrachtsfenomenen bij persoonlijkheidsstoornissen
Katrien Foubert
, muziektherapeut, UPC KULeuven campus Kortenberg

In deze bijdrage wordt doorheen enkele impressies uit de muziektherapeutische praktijk de krachtige lading hoorbaar en voelbaar waarmee een muziektherapeut in het werk met persoonlijkheidsstoornissen vaak geconfronteerd wordt. In tegenstelling tot verbale therapeuten beschikken muziektherapeuten over mogelijkheden om deze in zijn lichaam vibrerend affect via muzikale improvisaties toch verteerbaar te maken. Zo kan de therapeut vorm geven op een onzegbare wijze aan de uitwendig gebleven psychische problematiek van de patiënten. Deze mentale vertering via muzikale improvisaties maakt het voor de therapeut mogelijk de affectieve lading op te nemen in een fantasmatische voorstelling. De therapeut kan hierdoor afstand nemen van de ervaring, ernaar kijken, er over nadenken en er tenslotte verbaal over reflecteren.

S03.2 De verwondering in het muzikale samenspel bij adolescenten
Lieselotte Steenkiste
, muziektherapeut, UPC KULeuven campus Kortenberg
Barbara Van Holme, muziektherapeut, UPC KULeuven campus Kortenberg

In deze bijdrage bespreken de muziektherapeuten, werkzaam op de adolescentenafdeling, de mogelijkheden en beperkingen van muziektherapie als preverbale psychotherapie. Hierbij wordt vooral ingegaan op de verwondering van het musiceren en het muzikaal samenspel bij jongeren. Daarin wordt de problematiek van het zoeken naar hun identiteit zichtbaar.

S03.3 Verstilde hartstocht. Klinische ervaringen met (groeps)muziektherapie bij chronisch psychotische patiënten
Erica Bourgois
, muziektherapeut, UPC KULeuven campus Kortenberg

Muziektherapie met een psychodynamisch denkkader integreren in een rehabiliterende setting voor chronisch psychotische mensen is een uitdaging. Klinische voorbeelden uit de (groeps)muziektherapie illustreren de structurerende en ondersteunende eigenschappen van de muziek in al zijn verschijningsvormen. Muzikale vrije improvisaties, die de basis vormt tot mogelijke veranderingen, tonen de verstilde hartstocht bij de psychoticus.

S03.4 Onderzoek naar de therapeutische waarde van muzikale improvisaties in muziektherapie met dementerenden: een pilootstudie
Anke Coomans
, muziektherapeut, UPC KULeuven campus Kortenberg

In deze bijdrage wordt de casus van Anna gepresenteerd, een 80-jarige dame in een vergevorderd stadium van dementie. Het muziektherapeutische proces illustreert hoe de muzikale improvisaties de ontwikkeling van een intersubjectieve relatie tussen Anna en de therapeut mogelijk maakt. De casus van Anna is tevens de pilootstudie van een onderzoek naar muziektherapie en dementie dat kort wordt toegelicht.

Dinsdag 18 september 2012, 11u30-13u00
S04  Wat gezegd wordt en wat niet gezegd wordt in gezinnen
voorzitter Peter Rober

S04.0 Inleiding 
Peter Rober
klinisch psycholoog en gezinstherapeut, professor, Context UPC KULeuven campus Leuven /  faculteit geneeskunde, KULeuven

Het veld van de gezinstherapie wordt dezer dagen overheerst door het narratieve paradigma dat het verhaal van de gezinsleden centraal stelt. Recent wordt deze visie aangevuld door een dialogische visie die eerder de nadruk legt op het vertellen van het verhaal als “performance in context” (Rober, 2012). Daarbij is er altijd de spanning tussen expressie en non-expressie, of tussen wat er wordt gezegd, en wat (nog) niet is gezegd (Baxter, 2004). Deze dynamiek van spreken/niet-spreken uit zich in het bijzonder in gezinnen die worstelen met een bijzondere kwetsbaarheid, zoals een overlijden, een psychiatrische stoornis, … Een dergelijke kwetsbaarheid roept al gauw de vraag op “praten we hierover of niet?”, “wat zeggen we tegen mekaar, wat niet?”, enz. Deze vragen worden bij de gezinsleden opgeroepen, maar ze worden zelden expliciet besproken.  
Het is belangrijk dat therapeuten beseffen dat in gezinnen spreken altijd samen gaat met niet-spreken, en dat niet-spreken zeer zinvol en belangrijk kan zijn. Baxter & Wilmot (1985) bestudeerden taboe-onderwerpen in hechte relaties en vonden vier belangrijke redenen waarom mensen vermijden te praten: de verwachte schade aan de relatie, individuele kwetsbaarheid, het maken van een slechte indruk, de verwachte schade aan anderen. 
Ook in de therapie staat dit dilemma centraal (Rober, 2012). Terwijl in therapeutische sessies cliënten veel onthullen over hun leven, toont onderzoek dat cliënten ook veel dingen verborgen houden voor hun therapeuten (bijv. Farber & Sohn, 2007; Hill, Gelso & Mohr, 2000). Dit geldt ook in gezinstherapiesessies (Rober, 2002).
In dit symposium gaan we nader in op die dialectiek van spreken/niet-spreken in gezinnen. We rapporteren over onderzoek dat we ter zake gedaan hebben in gezinnen met een depressieve ouder, gezinnen waarin één van de kinderen overleden is ten gevolge van kanker, adoptiegezinnen en gezinnen waarin een ouder sterft ten gevolge van een verkeersongeval. In al deze gezinnen stelt zich de vraag: zullen we erover spreken? Wat gaan we met mekaar delen? Wat laten we onbesproken?
Referenties
Baxter, L. A. (2004). Dialogues of Relating. In Anderson, R., Baxter, L.A. & Cissna, K.N. (Eds.). Dialogue: Theorizing differences in communication studies (107-124) London, Sage
Baxter, L.A. & Wilmot, W.W. (1985). Taboo topics in close relationships. Journal of Social & Personal Relationships, 2, 253-269
Farber, B.A. & Sohn, A.E. (2007). Patterns of self-disclosure in psychotherapy and marriage. Psychotherapy: Theory, Research, Practice, Training, 44, 226–231
Hill, C. E., Gelso, C. J., & Mohr, J. J. (2000). Client concealment and self-presentation in therapy: Comment on Kelly. Psychological Bulletin, 126, 495–500
Rober, P. (2002). Samen in therapie: Gezinstherapie als dialoog. Leuven, Acco
Rober, P. (2012). Gezinstherapie in praktijk: over ontmoeting, proces en context. Leuven, Acco

S04.1 Hoe kinderen hun depressieve ouder trachten te steunen: microanalyse van een gezinsgesprek
Hanna Van Parys
, wetenschappelijk medewerker, FPPW, Universiteit Gent

In deze bijdrage presenteren we de resultaten van een studie naar de beleving van kinderen in gezinnen met een depressieve ouder. We focussen op actieve manieren waarop kinderen met de zorgen en het verdriet van hun ouder trachten om te gaan. Een microanalyse van een gezinsgesprek illustreert impliciete en expliciete onderhandelingen rond zorg in het gezin en meer specifiek zorg van het kind naar de ouder toe, en de dynamiek waarbij kinderen hun zorgen/bezorgdheden verbergen als antwoord op een gevoeligheid of wens van de ouder. Deze bevindingen worden besproken in het licht van de systeemtherapeutische praktijk en de ambulante en residentiële zorg voor volwassenen met een affectieve stoornis.

S04.2 Rouw na het verlies van een kind: wat houdt partners tegen om er met elkaar over te spreken?
An Hooghe
, drs., onderzoeker, Context UPC KULeuven

Het uiten en delen van rouwemoties wordt algemeen beschouwd als een belangrijk aspect binnen rouwtherapie.
In deze bijdrage staan we stil bij ons onderzoek over de redenen van niet-spreken over de eigen rouwervaring met de partner.

S04.3 Adoptieverhalen
Lisa Asnong Lopes
, drs., onderzoeker, Context UPC KULeuven
Peter Rober, klinisch psycholoog en gezinstherapeut, professor, Context UPC KULeuven campus Leuven /  faculteit geneeskunde, KULeuven

De laatste jaren wordt open adoptie erg gepropageerd. De vraag stelt zich echter wat openheid inzake adoptie precies betekent. In deze bijdrage staan we stil bij het bestaande onderzoek over adoptieverhalen: nl. datgene wat adoptieouders hun kinderen vertellen over de adoptie. Er wordt gekeken naar wat ouders vertellen én niet vertellen over de adoptie en naar de beslissingen die zij hierbij nemen.

S04.4 Selectieve onthulling in de roman Death In The Family van James Agee: wat kunnen we hieruit leren over gezinscommunicatie?
Peter Rober
, klinisch psycholoog en gezinstherapeut, professor, Context UPC KULeuven campus Leuven /  faculteit geneeskunde, KULeuven

Het eerste gesprek van een gezin over de dood van een gezinslid is een verwaarloosd, maar potentieel belangrijk onderwerp. James Agee’s roman A Death In The Family handelt over wat er in een gezin gebeurt in de uren nadat de vader overleed in een auto-ongeluk. In deze bijdrage staan we stil bij ons onderzoek van gezinscommunicatie in de roman van Agee, en bij de vraag in hoeverre dit onderzoek ons iets leert dat nuttig is voor gezinstherapeuten in de praktijk. 

Dinsdag 18 september 2012, 11u30-13u00
S05  Gehechtheid in de ouderenzorg: (zorg)relaties in verandering?
voorzitter Filip Bouckaert

S05.0 Gehechtheid: van de wieg tot de kist?
Filip Bouckaert
, psychiater, UPC KULeuven campus Kortenberg

Bowlby (1969) stelde dat de band met een gehechtheidsfiguur niet alleen nodig is op zeer jonge leeftijd maar dat hij belangrijk blijft ‘from the cradle to the grave’. Onderzoek benadrukt het weer toenemende belang van de gehechtheidsrelatie op hogere leeftijd (Bradley & Cafferty, 2001). Ook de mogelijkheid bij zorgafhankelijke ouderen om hulp te zoeken en te aanvaarden is hier wellicht mee verbonden. In alle fasen van ons leven zijn we immers betrokken bij zorg, hetzij als ontvanger, hetzij als verlener. Goede kennis van gehechtheidspatronen kan de hulpverlener helpen de ‘juiste’ zorg door de ‘juiste’ personen op het ‘juiste’ moment en op de ‘juiste’ plaats te organiseren.

S05.1 Gehechtheid en familiale relaties bij ouderen: een transgenerationeel perspectief
Stefaan Soenen
, psycholoog, UPC KULeuven campus Kortenberg

Deze bijdrage gaat op zoek naar de relevantie van de gehechtheidsliteratuur voor het therapeutische werk met oudere cliënten en hun familiale context in de geestelijke gezondheidszorg. Het therapeutische model van John Byng-Hall over transgenerationele overdracht van gehechtheidsrelaties wordt verbonden met de recente onderzoeksliteratuur over gehechtheid en gehechtheidssystemen bij het ouder worden. Het werken met genogrammen wordt naar voren geschoven als een krachtig therapeutische instrument om de dynamiek van gehechtheidsrelaties in kaart te brengen en te begrijpen.

S05.2 De invloed van hechting op gedrags- en psychiatrische symptomen bij dementie
Lies Van Assche
, psycholoog, UPC KULeuven campus Kortenberg

Na een korte samenvatting van de hechtingstheorie van Bowlby. overlopen we recente mijlpalen in het onderzoek naar (de-)activatie van het hechtingssysteem, hechtingsstijlen en –dimensies.
In een tweede deel komt hechting op oudere leeftijd aan bod. Er is aandacht voor de identiteit en het aantal hechtingsfiguren op latere leeftijd. Ook blijkt de verdeling van hechtingsstijlen een verschuiving te vertonen. Deze observaties hebben belangrijke gevolgen in geval van dementie. Onderzoek over hechting bij dementie toont namelijk aan dat een onveilige (premorbide) hechting leidt tot toegenomen problematisch gedrag. Verschillende soorten van onveilige hechting resulteren bovendien in andere gedrags- en psychologische symptomen. Interventies gebaseerd op deze bevindingen zijn veelbelovend. Er dient echter nog verder onderzocht te worden, met aandacht voor een gedifferentieerde aanpak naargelang de (premorbide) hechtingsstijl van de patiënt. Onderzoek naar de invloed van hechtingsstijl op zorgdragers is eveneens belangrijk voor de klinische praktijk. Zo zal een verschillende hechtingsstijl bij de zorgdrager effect hebben op de wijze waarop deze zorgtaken opneemt. Daarnaast heeft de hechtingsstijl een invloed op de duur van het zorg dragen en aansluitend daarbij op het engagement in de toekomst. Tot slot zal de beleving van het zorg dragen verschillen afhankelijk van de hechtingsstijl.

S05.3 Veilig verbinden, veilig hechten: Emotionally focussed therapy
Jan Adriaensen
, psychiater, PC Asster, Sint-Truiden

Vanuit een hechtingsperspectief kijken we naar manieren van behandeling van ouderen. Net in deze levensfase staat verlies centraal. Onthechten, verlies aan veiligheid en verbinding.
Tegelijkertijd wordt een balans opgemaakt. Hoe betekenisvol was mijn leven?
In deze bijdrage gaan we vanuit een concrete casus verkennen hoe werken met ouderen - vanuit het perspectief van veilige verbondenheid - bijdraagt tot de behandeling van depressie bij ouderen.

Dinsdag 18 september 2012, 11u30-13u00
S06  De praktijk van het meten van behandeleffecten in de forensische gedragswetenschappen: geen sinecure?
voorzitter Paul Cosyns

S06.0 Inleiding
Paul Cosyns
professor em., directeur UFC, UFC/UZA, Edegem

S06.1 Van Routine Outcome Monitoring naar Routine Proces Monitoring 
Kris Goethals
psychiater, wetenschappelijk consulent, UFC/UZA - CAPRI, Edegem

Achtergrond
In het buitenland zijn er reeds vele ervaringen opgedaan met het systematisch meten van de voortgang van de behandeling. In het wetenschappelijk onderzoek zijn er drie methoden om uitkomstmaten te meten: randomised controlled trials (RCT), single case designs (SCD) en Routine Outcome Measures (ROM). Bij Routine Proces Measurements (RPM), ook Client Directed Outcome Informed (CDOI) wordt de patiënt nog actiever betrokken bij de behandeling en geeft hij feedback op de therapeutische relatie.
Doel
De toehoorder vergaart kennis over de methodologie van het meten van behandeleffecten. Door middel van literatuuronderzoek worden enkele tekortkomingen van de ROM geïllustreeerd.
Methode
Door middel van literatuuronderzoek en beleidsdocumenten uit het buitenland (met name Nederland) wordt dit onderwerp onderzocht.
Resultaten
Naast de duidelijke voordelen van de ROM, zijn er ook substantiële nadelen. Bij de ROM is het belangrijk dat de resultaten teruggekoppeld worden aan de behandelaar en aan de patiënt. Feedbackinterventies naar de patiënt doen het met name goed bij patiënten die slecht vooruitgaan in de behandeling ('flagged cases'). Er bestaat rapportage over verschillende uitkomstmaten en dito resultaten. RPM is voornamelijk aangewezen bij ambulante psychiatrische patiënten.
Conclusie
Gezien de bovenstaande tekortkomingen van het ROM-onderzoek dienen in Vlaanderen de krachten gebundeld te worden om onderzoek te doen. Ook dient men zich te richten op specifieke patiëntenpopulaties.

S06.2 De behandeling van seksuele delinquenten: van prestatieverbintenis tot resultaatsmeting
Tineke Dilliën
, psychologe, onderzoekster, UFC/UZA - CAPRI, Edegem

Daar waar er binnen de algemene geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen, maar vooral in het buitenland, al enige ervaring is met de ROM, staat de ROM binnen de forensische wereld nog in de kinderschoenen. Nochtans zou de ROM een meerwaarde kunnen hebben voor het forensische werkveld. In het bijzonder geldt dit voor de behandeling van seksuele delinquenten, een gebied waar behandelaars onder grote maatschappelijke druk staan om resultaten te bereiken (Goethals & van Marle, in press). De ROM biedt hier een manier om behandelresultaten gesystematiseerd te meten en op basis hiervan beslissingen rond het bijsturen, het afronden of het stopzetten van de behandeling te ondersteunen. Dit komt niet alleen de patiëntenzorg ten goede, maar kan evenzeer een bijdrage leveren tot wetenschappelijk onderzoek. Zo kan het meten van behandelresultaten over patiëntengroepen heen een aanvulling zijn voor het effectiviteitsonderzoek zoals het tot nu toe in de forensische sector uitgevoerd wordt (Harkin & Beech, 2006). Omwille van deze redenen is het Universitair Forensisch Centrum (UFC) vanaf januari 2012 begonnen met de ROM. Het UFC is een centrum dat naast het hebben van een behandelopdracht voor seksuele delinquenten ook fungeert als steuncentrum voor de Vlaamse voorzieningen die gespecialiseerd zijn inzake de behandeling van seksuele delinquenten.
Naast het geven van een overzicht van de manieren waarop de effectiviteit van de behandeling van seksuele delinquenten gemeten wordt, gaat de bijdrage ook in op de implementatie van de ROM (vanaf de ontwikkeling van de databank tot aan de preliminaire resultaten) in de behandelpraktijk van het UFC.

S06.3 Routine Outcome Monitoring in de forensische psychiatrie: een lang verhaal in het kort
Kris Goethals
psychiater, wetenschappelijk consulent, UFC/UZA - CAPRI, Edegem

Achtergrond
Systematisch onderzoek bij forensisch-psychiatrische patiënten is moeilijk omdat er een aantal methodologische problemen inherent zijn aan systematische metingen binnen de forensische psychiatrie.
Doel
Een overzicht brengen van de stand van zaken op het gebied van de forensisch psychiatrische ROM, alsook van enkele gewenste ontwikkelingen.
Methode
Het opzetten van Randomised Controlled Trials is binnen de forensische psychiatrie quasi onmogelijk. De voornaamste problemen zijn: de selectiecriteria voor een forensisch-psychiatrische behandeling zijn niet psychiatrisch of gedragskundig; het ontbreken van een gestandaardiseerde forensisch-psychiatrische behandeling voor patiënten met een verschillende problematiek; en het ontbreken van een theorie over het verband tussen stoornis en delict. Daarom kan de ROM bijdragen tot het meten van de klinische effectiviteit van de onderzochte behandelingen. Aanwijzingen in de forensisch psychiatrische literatuur om geschikte meetinstrumenten te kiezen, zijn schaars. In ieder geval dienen deze instrumenten drie domeinen te omvatten: psychopathologie, kwaliteit van leven en risico op delictherhaling.
Conclusie
Het verdient in ieder geval de aanbeveling dat alle forensisch-psychiatrische instellingen gezamenlijk trachten een ROM te ontwikkelen.

Dinsdag 18 september 2012, 11u30-13u00
S07  Psychiatrische Zorg in de Thuissituatie: van leerpunten en essenties naar uitdagingen
voorzitter Ilse De Neef

S07.0 Inleiding
Ilse De Neef
, stafmedewerker, PopovGGZ, Drongen

De creatie van de pilootprojecten Psychiatrische Zorg in de Thuissituatie (PZT) is één voorbeeld van de stappen die de voorbije decennia gezet zijn in België in het streven naar een meer gemeenschapsgerichte geestelijke gezondheidszorg (ggz).
Meer dan tien jaar na hun officiële start willen de PZT-projecten tijdens dit symposium verleden, heden en toekomst aan elkaar koppelen.
De ervaring die de PZT-medewerkers opgebouwd hebben in het begeleiden van cliënten in de thuissituatie, in het werken over de lijnen heen, in het coachen van de eerste lijn en in het rehabilitatiegericht werken is een troef die zeker kan ingezet worden in de operationalisering van de artikel 107-projecten.

S07.1 10 jaar psychiatrische Zorg in de Thuissituatie
Karolien Weemaes
, stafmedewerker, Overlegplatform GGZ Provincie Antwerpen, Wilrijk
Veerle Decroos, projectmedewerker, POPOVGGZ, Drongen

De huidige reorganisatie van het zorgaanbod (artikel 107) heeft tot gevolg dat meerdere PZT-(piloot)projecten in hun huidige vorm ophouden te bestaan. Om te verhinderen dat de praktijkervaring die de projecten in de voorbije tien jaar hebben opgebouwd, zowel in het werken met netwerken over de verschillende lijnen heen als in het outreachend werken en dit in verschillende contexten (van grootstad tot landelijke gemeenten), verloren gaat, werden een aantal initiatieven genomen om de vergaarde expertise te bundelen.
De Interprovinciale Werkgroep PZT bundelde de resultaten van een namiddag denkwerk (methodiek worldcafé) met de Nederlandstalige projecten PZT in een minipublicatie.
In Oost-Vlaanderen is, met financiële steun van de provincie, een project uitgewerkt dat zowel de positieve als de negatieve leerervaringen van tien jaar werken in en met de thuissituatie in kaart brengt. Alle Oost-Vlaamse PZT-teams en de relevante netwerkactoren werden voor dit onderzoek bevraagd.
De belangrijkste bevindingen worden gepresenteerd.

S07.2 Psychiatrische Zorg in de Thuissituatie anders bekeken?
Arne Ruckebusch
psycholoog, PZT regio Noord-West-Vlaanderen, Brugge

De pilootprojecten Psychiatrische Zorg in de Thuissituatie (PZT) bestaan ondertussen meer dan tien jaar, en het is bekend dat de meeste projecten zich na de opstart al snel zijn gaan toeleggen op het begeleiden van psychiatrische patiënten in de thuissituatie – zoals hun naam het trouwens suggereert. Vanuit het Project PZT Noord West-Vlaanderen proberen we sinds enkele jaren niet zozeer onze naam, maar wel onze oorspronkelijke opdracht waar te maken; het op diverse manieren ondersteunen van eerstelijns- en thuiszorgdiensten in hun werken met psychiatrische patiënten. Deze bijdrage wil deze visie en bijhorende methodiek verder toelichten.
We richten ons dus tot niet-ggzdiensten tegenover wie we ons erg laagdrempelig en flexibel opstellen. Ook met anonieme casussen kunnen zij bij ons terecht. Zonder wachtlijst proberen we hen te adviseren (eenmalig) of te coachen (procesmatig), en indien nodig de contacten met de ggz te faciliteren. We kiezen in dit alles voor een netwerkgerichte benadering; bedoeling is dat PZT zo snel mogelijk overbodig wordt doordat het netwerk zelfstandig verder kan met de patiënt. Netwerkcoördinatie en zorgafstemming vormen hierbij sleutelwoorden. We streven er naar geen zorg over te nemen, maar proberen eerder het samenwerken, overleggen en ‘samen dragen’ te bevorderen.

S07.3 Transitie van een PZT-werking naar de werking van een mobiele equipe (functie 2b art. 107). Toetsing aan de praktijk
Pieter Vaes
, stafmedewerker community care & living, CGG Vlaams-Brabant Oost, Leuven

In het organisatieschema van de artikels 107 & 33 is sprake van vijf kernfuncties. Kernfunctie 2 staat voor mobiele teams die voorzien in behandeling in de thuisomgeving van de cliënt. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de cliënt met een acute psychische problematiek (kernfunctie 2a) en de cliënt met een chronisch psychiatrisch ziekteverloop (kernfunctie 2b).
De pilootprojecten Psychiatrische Zorg in de Thuissituatie kregen in 2001 niet de opdracht om cliënten in hun thuissituatie te begeleiden, maar ondersteunend te zijn aan de eerstelijnsactoren. Toch zijn er heel wat projecten PZT die (naast de oorspronkelijke opdrachten coaching, adviesverlening en zorgcoördinatie) cliënten in hun thuisomgeving begeleiden en dit ter ondersteuning van situaties met een complex karakter.
Om de zorg te organiseren volgens het artikel 107 & 33-kader, worden deze PZT-werkingen ingezet in kernfunctie 2b, mobiele teams die werken volgens de FACT-methodiek.
Wat betekent het inschuiven in deze kernfunctie en hoe verschilt dit werk (niet) van de PZT-werking?
Deze vragen staan centraal tijdens dit symposiumonderdeel.

Dinsdag 18 september 2012, 14u00-15u30
S08  De zorg voor patiënten met psychotische problemen: ervaringen en taken voor de Vlaamse huisarts
voorzitter Jan Heyrman

S08.0 Inleiding
Jan Heyrman
, huisarts, professor em., ACHG KUleuven

De sector van de geestelijke gezondheidszorg is aan een grondige hertekening toe. De projecten rond ‘artikel 107’ zijn daar het sprekende voorbeeld van. Hoewel men zegt overtuigd te zijn van de rol die huisartsen kunnen spelen, is niet duidelijk hoe dit alles vorm zal krijgen. Een goede planning en hertekening van de zorg vergen een goed gedocumenteerde voorbereiding. Dit symposium wil de bouwstenen aanbrengen voor het hertekenen van de zorg van patiënten met een psychose.
Een eerste bijdrage presenteert de resultaten van representatief epidemiologisch onderzoek in Vlaanderen. Niet alleen wordt nagegaan wat de prevalentie en incidentie is van psychose maar ook hoe de comorbiditeit zich voordoet. In een tweede bijdrage wordt op basis van Vlaams en Belgisch onderzoek onderzocht hoe de huisartsen de zorg voor psychotische patiënten ervaren en wat voor hen verbeterpunten zijn. Daarop aansluitend worden concrete ervaring van huisartsen rond een vroeg interventieteam voor psychose kritisch geanalyseerd.
Het symposium sluit af met de visie van de Vlaamse huisarts over de organisatie van de geestelijke gezondheidszorg.

S08.1 Incidentie, prevalentie en comorbiditeit van psychose in de Vlaamse Huisartspraktijk
Carla Truyens
, psychologe, senior onderzoeker, ACHG KUleuven

De meeste gegevens van eerste episodepsychose zijn afgeleid van onderzoek in specialistische settings. Het Intego-netwerk, ontwikkeld door het Academisch Centrum Huisartsgeneeskunde KULeuven, levert epidemiologische gegevens op basis van elektronisch medische dossiers van huisartsen. Een analyse van deze database toont dat de incidentie van psychose 79 per 100.000 patiënt-jaren bedraagt met een prevalentie van 7.45 per 1.000 patiënten. Schizofrenie maakt 30% van alle gevallen uit. Er is een hogere incidentie van psychose bij vrouwen terwijl schizofrenie meer mannen treft. Opvallend is de hoge incidentie bij personen ouder dan 75 jaar.
Na het doormaken van een psychose is er een significant hoger risico op het ontwikkelen van diabetes, fysiek trauma, gastro-intestinale aandoeningen, alcoholmisbruik, chronische longziekten en mond- en tandproblemen. Het werd duidelijk dat het gebruik van atypische antipsychotica het risico op diabetes verhoogde. Er werd geen verhoogd voorkomen vastgesteld van kanker, gewrichtsaandoeningen, spastisch colon, algemene infecties, anemie, visus- en gehoorproblemen, cardiovasculaire aandoeningen en diabetes wanneer geen atypische antipsychotica werden gebruikt.
Deze cijfers onderstrepen de taak en verantwoordelijkheid van doeltreffende somatische zorg bij patiënten met een psychose.

S08.2 Hoe ervaart de Vlaamse en Belgische huisarts de zorg voor patiënten met een psychose?
Jan De Lepeleire
, huisarts, professor, ACHG KUleuven

Huisartsen spelen een rol in de vroege detectie, diagnose en zorg voor patiënten met een psychose. Maar hoe ervaren ze deze processen en welke veranderingen zien zij als noodzakelijk?
De International Study on General Practitioners and Early Psychosis (IGPS) werd herhaald bij een groep van 237 Belgische huisartsen. Het aantal nieuwe gevallen van psychose was laag. Ze werkten samen met verscheidene specialistische diensten. De kennis van de Belgische huisarts was lager dan in de internationale studie. Anderzijds was de kennis positief gecorreleerd met het aantal patiënten die ze in behandeling hebben. Het hanteren van antipsychotica is een belangrijke leerpunt. Er waren weinig relevante verschillen tussen Vlaamse en Waalse huisartsen.
Daarnaast was er een focusgroeponderzoek rond deze problematiek in twee Vlaamse regio’s. Tweeëntwinig Vlaamse huisartsen participeerden in vier focusgroepen. Frequente items van discussie waren het eigen functioneren als huisarts, het diagnostisch proces en de samenwerking met de gespecialiseerde diensten. Om de zorg te verbeteren, zouden de huisartsen beter moeten ondersteund worden in hun diagnostisch proces, en verbetering, integratie en herdenking van de samenwerking met de sector van de geestelijke gezondheidszorg en psychiaters is noodzakelijk.

S08.3 Hoe de huisarts netwerkt met de geestelijke gezondheidszorg, suggesties voor verbetering
Leo Pas
, huisarts, ICHO/ Domus Medica, Wezembeek Oppem

Uitgaande van een vijftal casussen wordt een beeld geschetst vanuit het oogpunt van een huisarts i.v.m. problemen in de psychiatrische thuiszorg in verandering. Hiervan uitgaande zullen suggesties gedaan worden voor de toekomst.
Recente veranderingen:
- Verplaatsen zorg naar thuismilieu.
- De consultatieve functie van de ggz werd meer uitgebouwd.
- De toegankelijkheid voor familieleden wordt groter.
- Er is meer informatie over beschikbare aanpak.
Suggesties voor de toekomst:
- Afspraken maken over deze nieuwe en veranderende adviesverlening en ondersteuning op eerste lijn.
- Een interprofessionele gedragscode inzake informatie overdracht is nodig.
- Geestelijke gezondheidszorg aan huis moet naadloos afstemmen op de algemene thuiszorg.
- Een transparantere multidisciplinaire organisatie en afstemming is nodig.
- Geautomatiseerde informatie-uitwisseling.
- Afspraken over crisisinterventie.
- Strategieën voor specifieke problematische situaties.
- Gespecifieerd nazorgplan.
- De behandeling in ggz wordt geconcipieerd NIET als een begeleiding in ggz, maar als een ondersteuning vanuit ggz of zelfs eerste lijn.
- Bijdrage huisarts wordt meer geëxpliciteerd.
- Invulling geschiedt via een van te voren overeengekomen gestructureerd overleg.
- De huisarts wordt expliciet geïnformeerd over afspraken met cliënt.
- Alle hulpverleners communiceren snel met mekaar bij elke majeure verandering.

S08.4 De visie van de Vlaamse huisartsenwereld op de geestelijke gezondheidszorg
Kristof Hillemans
, huisarts, bestuurder, Domus Medica, Lint

In aansluiting op de geactualiseerde visietekst van Domus Medica over de toekomst van de eerstelijns gezondheidszorg in het algemeen (“Zorgmodel 2020”, zie www.domusmedica.be/domusmedica/missie/visieteksten/3509-zorgmodel-2020.html), heeft de Commissie Eerstelijnsgezondheidszorg van Domus Medica in 2011 ook een visietekst ontwikkeld over psychiatrische zorgverlening in samenwerking met de eerste lijn (www.domusmedica.be/domusmedica/missie/visieteksten/3522-psychiatrische-zorgverlening-in-samenwerking-met-de-eerste-lijn.html ).
Deze visie is gegroeid uit ervaringen van huisartsen uit hun eigen praktijk, door ervaringen in lokale projecten, huisartsenkringen, SEL’s en het Vlaams Eerstelijnscongres van 2010.
Wij stellen deze visie kort voor, in de hoop van gedachten te kunnen wisselen over de manier waarop we onze ideeën in de praktijk kunnen omzetten. En dit niet enkel via lokale projecten maar bij voorkeur door veralgemeende maatregelen.
Enkele kernboodschappen van deze visie:
- We pleiten voor generalistische zorgverlening via het stepped care-model.
- We pleiten voor een laagdrempelige toegang via de huisarts of de maatschappelijk werker.
- We willen oog voor preventie, vroegdetectie en screening.
- We willen aandacht voor de comorbiditeit en de complexe zorgverlening.
- We pleiten voor een plaats voor de eerstelijnspsycholoog en voor een netwerk van specialistische zorgverlening.
- We willen aandacht voor snel advies in subacute en vooral acute situaties via een ‘psychiatrische hulplijn’ of een psychiatrisch consult.
- We willen aandacht voor de continuïteit van zorg.
- We pleiten voor een brede hulpverlening met oog op het algemeen welzijn.
- We willen een goede dialoog ontwikkelen.

Dinsdag 18 september 2012, 14u00-15u30
S09  Hypnose en invloed op pijn
voorzitter Bruno Van Opstal

S09.0 Inleiding
Bruno Van Opstal
, psychiater, voorzitter, VHYP, Erpe

Als het lichaam de taal van pijn spreekt kan hypnose de tolk zijn. Pijn is een subjectieve ervaring die niet louter bewust is. Pijn is een complex, narratief construct, heeft een verleden, een heden en een toekomst. Pijn vertelt een verhaal, waarnaar we kunnen luisteren met een metaforisch oor.
Door middel van hypnotherapie kan er met het lichaam gecommuniceerd worden en de pijn gedecodeerd worden.

S09.1 Hypnose bij pijn, state of the art
Nicole Ruysschaert
, psychiater, public relations VHYP, Antwerpen

Ook al gaat het werken ‘met’ en ‘onder’ hypnose al ver terug in de geschiedenis, toch blijft hypnose up-to-date in de researchwereld. We brengen een overzicht van neurowetenschappelijk onderzoek en klinische studies. Er is duidelijk evidentie dat hypnose werkt bij acute, procedurale pijn en ook bij chronische pijn. Verrassend is dat de invloed via verschillende wegen loopt, zowel door ‘formeel’ werk met hypnose als door gebruik van ‘hypnotische communicatie’.

S09.2 Hypnose ter controle van angst en pijn bij huisziekten
Ria Willemsen
, dermatoloog, kliniekhoofd dermatologie UZ Brussel, wetenschappelijke publicaties, VHYP, Meise

Aldous Huxley stelde “Words have a magical effect in the way they affect the minds of man”. Woorden kunnen een speciale impact hebben wanneer ze gebruikt worden om een veranderde bewustzijnstoestand te induceren zoals die voorkomt bij hypnose.
Gerandomiseerd onderzoek en meta-analyses hebben aangetoond dat hypnotherapie angst en pijn kan verminderen bij diverse soorten medische interventies.
We illustreren het gebruik van hypnotische technieken bij dermatologisch ingrepen.

S09.3 Hypnose bij kinderen en jongeren
Luc Bouteligier
, kinderpsycholoog, , VHYP, Mechelen

Als een kleuter pijn heeft en je vertelt een verhaal, dan verdwijnt plots de pijn. Laat een jongetje fantaseren over een ruimtereis, dan kan je ondertussen injecties geven, bloed afnemen, hechtingen doen. Leer een puber met diabetes zelfhypnose aan, dan prikt en spuit ze zonder noemenswaardige pijn.
Hypnotische technieken geven zelfcontrole aan kinderen en jongeren, die zij zeer nuttig kunnen gebruiken bij het omgaan met pijn. Dit zowel bij pijnlijke medische procedures als bij psychosomatische pijn.

S09.4 Pijn als ego-state
Truus Vlaar
, psycholoog, bestuurslid, VHYP, Heerlen

De Ego-State-benadering kan gebruikt worden als hypnotisch middel bij de verkenning welke bewuste en onbewuste delen een rol kunnen spelen bij chronische pijn.
Met behulp van deze benadering kan de cliënt in trance ervaren welk persoonlijkheidsdelen de pijn veroorzaken, welke helpende delen er zijn als pijnverzachters en hoe die delen kunnen samenwerken zodat de pijn draagbaar wordt.

Dinsdag 18 september 2012, 14u00-15u30
S10  De kracht van ontmoeting tussen families
voorzitter Geert Gardin 

S10.0 Inleiding
Geert Gardin
, kliniekcoördinator, kliniek Psychosenzorg - stafmedewerker, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge 

De ontmoeting tussen families is een belangrijke hefboom voor verwerking. Gezinsleden zijn vaak een belangrijke steunfiguur voor hun gezinslid in geestelijke gezondheidsnood. Om die rol te kunnen opnemen moeten zij putten uit hun eigen veerkracht maar ook via informatie en vorming de nodige handvatten vinden om tot steun te kunnen zijn. Gezinsleden moeten bovendien aan de slag met hun eigen verwerking met wat de langdurige of ernstige psychische aandoening met henzelf als gezinslid doet.
In dit symposium belichten we het aspect ontmoeting tussen gezinsleden als bron van kracht. Onderzoeksliteratuur over de waardevolle elementen van een helende ontmoeting tussen lotgenoten komt aan bod.
Tot slot wordt, aan de hand van goede praktijkvoorbeelden in Vlaanderen, een brug geslagen tussen familie en hulpverlening.

S10.1 De kracht van lotgenotencontact 
Leen Stroobants
provinciaal coördinator Limburg, Similes vzw, Heverlee
Denise Cooreman, coördinator vorming vrijwilligers Similes en familieleden, Similes vzw, Heverlee
Familieleden
 

Familieleden getuigen over de kracht die zij putten uit de ontmoeting van andere familieleden en hoe hun veerkracht erdoor versterkt wordt. Familieleden duiden de belangrijke ondersteunende rol die hulpverleners hierin spelen.

Onderzoeksliteratuur over de waardevolle elementen van een helende ontmoeting tussen lotgenoten komt aan bod.


S10.2 De (jong)volwassen KOPP-werking van Similes 
Jana De Beul
, coördinator Similes Vlaams-Brabant en Antwerpen en (jong)volwassen KOPP’ers, Similes vzw, Heverlee
(jong)volwassen KOPP'ers

Uit de ontmoetingsgroepen, KOPP-dagen en –weekenden die binnen Similes worden georganiseerd groeide er een stevige KOPP-werking die intussen het niveau van de ontmoeting overstijgt. KOPP’ers vinden elkaar in de boodschap die ze naar buiten willen brengen over hoe het is op te groeien in een gezin met een psychisch kwetsbare ouder. Ze komen op voor de belangen van KOPP-kinderen door te wijzen op het belang van een ondersteunend netwerk, informatie op maat, mogelijkheden op school, aandacht voor patiënt en kind, bespreekbaarheid.


S10.3 Lotgenoten krijgen een stem in De Stem, het Praatkaffee Psychose
Dirk Snauwaert
, maatschappelijk werker, PZ Onze Lieve Vrouw, Brugge
Dag Van Wetter, stafmedewerker patiëntenzorg, PC Sint-Amandus, Beernem

Voor wie een psychose doormaakt, gaat het leven helemaal onderuit en het duurt vaak een hele tijd voor het weer een beetje op de sporen geraakt. Maar ook voor familieleden en nabij betrokkenen, betekent psychose vertwijfeling, onzekerheid, veel vraag en weinig antwoord. Iedereen probeert op zijn manier een weg te vinden doorheen dit ingrijpende gebeuren. De nabijheid van anderen kan hierin een hele steun betekenen. Vooral wanneer die anderen zelf ook mensen zijn die weten waar het bij psychose om gaat …
Precies deze nood aan ontmoeting, informatie en contact met lotgenoten, lag aan de basis van de Stem, het Praatkaffee Psychose. In 2010 beslisten veertien verschillende organisaties, actief in de geestelijke gezondheidszorg, daar samen iets aan te doen. Dit leidde tot een unieke samenwerking tussen professionele hulpverleners en familieleden/ervaringsdeskundigen.
Het Praatkaffee Psychose is er voor familieleden en mantelzorgers van mensen met een psychotische kwetsbaarheid. Al kan de persoon om wie het draait hen eventueel wel vergezellen. Een kaffee is de plaats bij uitstek om mensen te ontmoeten en ermee aan de praat te gaan. Je voelt je gehoord, gesteund en je steekt in het beste geval ook nog wat op, waarmee je weer een eind verder kunt.

Dinsdag 18 september 2012, 14u00-15u30
S11  Klinische effecten van jeugdtraumata
voorzitter Filip Van Den Eede

S11.0 Inleiding 
Filip Van Den Eede
, professor, medisch coördinator dienst psychiatrie UZA /, CAPRI, Universiteit Antwerpen

Jeugdtraumata zoals seksueel misbruik, fysieke mishandeling en emotionele verwaarlozing en mishandeling zijn erg prevalent en vormen een belangrijk maatschappelijk probleem. De voorbije jaren werd er in de media veel aandacht besteed aan dit onderwerp, ondermeer naar aanleiding van de pijnlijke onthullingen over seksueel misbruik in de Kerk. Een positief aspect is dat de maatschappelijke erkenning van slachtoffers stilaan toeneemt. Ondanks de belangrijke impact van jeugdtraumata op de volksgezondheid is er echter te weinig aandacht voor de klinische gevolgen ervan, niet in zijn minst in de patiëntenzorg, in het onderwijs en in het wetenschappelijk onderzoek.
Dit symposium gaat met drie bijdragen dieper in op de klinische effecten van jeugdtraumata. Er wordt tijd voorzien voor vragen en voor interactieve discussie.

S11.1 Jeugdtraumata en mentale gezondheid
Maud De Venter
, klinisch psycholoog, dienst psychiatrie UZA / CAPRI, Universiteit Antwerpen

Traumatische gebeurtenissen in de kindertijd of Adverse Childhood Experiences (ACE’s) kunnen zowel op korte als op lange termijn geassocieerd zijn met een verscheidenheid aan mentale en somatische gezondheids- en sociale problemen bij kinderen en volwassenen. Er is een gebrek aan eenduidige verklaringen voor de associatie tussen ACE’s en latere psychiatrische morbiditeit, hoewel zowel genetische als omgevingsfactoren, alsook hun interactie een rol spelen.
Tijdens deze bijdrage geef ik de belangrijkste conclusies weer van een uitgebreide literatuurstudie van alle voorhanden onderzoeksgegevens over de associaties tussen verscheidene ACE’s en mentale gezondheid in de volwassenheid, meer specifiek latere symptomen of diagnoses van depressieve, angst- en stoornissen in alcohol- en druggebruik.
Referentie
De Venter, M., Demyttenaere, K. & Bruffaerts, R. (2011), Het verband tussen traumatische gebeurtenissen in de kindertijd en de mentale gezondheid in de volwassenheid. Tijdschrift voor psychiatrie, in herziening

S11.2 Jeugdtraumata en (psycho)somatische ziekten 
Filip Van Den Eede,
professor, medisch coördinator dienst psychiatrie UZA /, CAPRI, Universiteit Antwerpen 

Het is welbekend dat jeugdtraumata een risicofactor vormen voor psychiatrische stoornissen. Minder gekend echter is het gegeven dat grootschalig epidemiologisch onderzoek heeft aangetoond dat jeugdtraumata ook een risicofactor vormen voor talrijke onverklaarde lichamelijke klachten (functionele stoornissen) en voor somatische aandoeningen op latere leeftijd. In deze presentatie zal er dieper ingegaan worden op de onderliggende processen die de klinische effecten van jeugdtraumata kunnen mediëren, met een bijzondere aandacht voor de ontregelingen in het biologisch stresssysteem en voor de genetische interacties. Tot slot zullen enkele lopende projecten in het Collaborative Antwerp Psychiatric Research Institute (CAPRI) van de Universiteit Antwerpen toegelicht worden.
Referenties
Van Den Eede, F. (2011).Jeugdtraumata en geneeskunde: kennen om te herkennen en erkennen. Tijdschrift voor psychiatrie, 53, 8, 505-507
Dallam, S. (2009). Where does it hurt? How victimization impacts presentation and outcomes in primary care. In: Banyard VL, Edwards VJ, Kendall-Tackett KA (Red.), Trauma and physical health. New York, Routledge, 134-162

S11.3 Jeugdtraumata en dissociatieve stoornissen
Dirk De Wachter
, psychiater, professor, UPC KULeuven campus Kortenberg

De meeste literatuur over dissociatie legt een verband tussen dissociatie en traumatische gebeurtenissen uit het verleden, terwijl er weinig aandacht wordt besteed aan stressoren uit de actuele leefsituatie. We presenteren de resultaten van onze studie waaruit blijkt dat het traditionele unifactoriële traumamodel beter vervangen wordt door een multifactorieel stressmodel, met veel meer aandacht voor stress in het gezin en het dagelijkse leven. Ook ons onderzoek over het transgenerationeel voorkomen van trauma en dissociatie bleek de vastgeroeste ideeën op de helling te zetten. Al deze gegevens pleiten voor een complexe relatie tussen trauma, dissociatie en gezinskenmerken en hebben interessante gevolgen voor de behandeling. We presenteren onze onderzoeksgegevens dan ook in functie van de klinische en therapeutische bruikbaarheid.
Referenties
De Wachter, D., Neven, S., Vandewalle, S., Vanderlinden, Lange, A. (2008). Dissociatieve verschijnselen: verband met stress uit heden en verleden. Tijdschrift voor Psychiatrie, 50, 2, 83-88
De Wachter, D., Neven, S., Vandewalle, S., Vansteelandt, K., Vanderlinden, J., Lange, A. (2008). Transgenerationele aspecten van trauma en dissociatie: empirische gegevens. Tijdschrift voor Psychotherapie, 34, 45-55

Dinsdag 18 september 2012, 14u00-15u30
S12  Patiëntenfeedback in de geestelijke gezondheidszorg
voorzitter Stefaan Baert

S12.0 Inleiding
Stefaan Baert
, stafmedewerker, VVGG, Gent

In 2006 is de Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid (VVGG) gestart met het ontwikkelen van methodieken om behandelresultaten in kaart te brengen. Centraal staat de ondersteuning van de klinische praktijk via outcome- en feedbacksystemen. Na een inleidende bijdrage komen twee praktijkverhalen aan bod, één uit de ambulante en één uit de residentiële sector. Er wordt afgesloten met een algemene discussie.
Referentie
Baert, S. (2012). Werken met de online Tool voor Uitkomenstenmeting. Psyche, 24, 2, 12-14

S12.1 Snel- versus modeltrajecten voor patiëntenfeedback
Stefaan Baert
, stafmedewerker, VVGG, Gent

Meer en meer groeit bij hulpverleners het besef dat outcome- en feedbacksystemen in belangrijke mate kunnen bijdragen tot kwaliteitsvolle zorg. Vanuit deze visie ontwikkelt de Vlaamse Vereniging voor Geestelijke Gezondheid, onder impuls van de Vlaamse overheid, tools en strategieën om de toepassing van uitkomsten- en feedbacksystemen in de geestelijke gezondheidszorg te ondersteunen (Baert, 2011 & 2012). Deze bijdrage geeft een overzicht van diverse toepassingsmogelijkheden (snel- versus modeltraject) en beschikbare meetinstrumenten. De Tool voor Uitkomstenmeting (TUM), bijvoorbeeld, stelt hulpverleners in staat om doelgericht en systematisch te reflecteren over de behandeling.
Referenties
Baert, S. (2011). Feedback van behandelresultaten in de hulpverlening. Signaal, 76, 4-15
Baert, S. (2012). Het gebruik van patiëntenfeedback in de klinische praktijk: een nieuw routine outcome monitoring-instrument. PsychoPraktijk, 4,2, 27-31 

S12.2 Patiëntenfeedback: intrusie in de behandeling?
Adelin Verslyppe, psycholoog, kwaliteitscoördinator, CGG Prisma, Oostende

In vrijwel elk traditioneel therapeutisch behandelmodel worden regelmatige evaluatie en gezamenlijke reflectie over het lopende therapeutisch proces als essentiële bestanddelen van de methodiek beschouwd. Niet zelden worden deze vormen van patiëntenfeedback zelfs als belangrijke psychotherapeutische agentia beschreven. Desondanks stoten we bij vele practici op hardnekkige weerstand wanneer geprobeerd wordt deze patiëntenfeedback op gesystematiseerde manier in de behandelingsprocedures in te voeren. Zeer dikwijls slagen gezondheidsinstellingen daar alleen maar in door deze systematische feedbackprocedures geforceerd te introduceren als een door de overheid of  management  opgelegde maatregel in het kader van het kwaliteitsbeleid. De practici beleven dit dan als een onwelkome intrusie in de therapie. Hoe kunnen we ook hierin de kloof tussen de werkvloer en beleid  proberen te dichten?

S12.3 Wordt de lat de regel?
Jan Callens
, klinisch psycholoog, gedragstherapeut, PC Sint-Jozef, Pittem

Een residentiële behandeling is het resultaat van een kliniek- en afdelingsbeleid waarin veel spelers zowel historisch als actueel een rol spelen. Verschillende disciplines drukken hun stempel op hoe een behandeling er uit ziet, hoe problematiek geconceptualiseerd wordt en met welke parameters al dan niet positieve evolutie geëxpliciteerd wordt. Naast 'klinische indrukken' zijn meer geformaliseerde metingen een na te streven ideaal. Bovendien geven die een stem aan de patiënt om zijn behandeling te beoordelen, waarbij de interpretatie van de hulpverlener minder dominant aanwezig is.
Wat en waarom je meet is daarbij de grootste uitdaging. Individuele klachtenreductie, procesmetingen, welbehagen, cliëntsatisfactie en sociale integratie behoren tot de mogelijkheden. Wat wil je met je metingen op individueel niveau en op groepsniveau aanvangen is een volgende vraag die zich opdringt. Deze bijdrage illustreert hoe het meten met vallen en opstaan in een residentiële setting opgezet werd en formuleert suggesties hoe een en ander meer kan betekenen dan enkel het blazoen oppoetsen van een behandelunit.

S12.4 Het installeren van een feedbackcultuur: hart en ziel van monitoring
Nele Stinckens
, psycholoog, docente / onderzoekster, KULeuven

Monitoring in psychotherapie is in wezen niet meer dan het installeren van een bewust feedbackmechanisme binnen een psychotherapeutische begeleiding. Relevante informatie wordt systematisch en frequent ingezameld, ter beschikking gesteld en benut om wenselijke en significante veranderingen bij cliënten te verwezenlijken. Therapeuten over de brug krijgen om monitoring op een klinisch verantwoorde en duurzame manier te integreren in hun werkwijze en persoonlijke stijl, blijkt allerminst een vanzelfsprekendheid te zijn. Achter een schijnbaar eenvoudig mechanisme, zoals feedback, gaat een complex amalgaam van processen schuil die kwaliteitsbevorderend kunnen werken, mits ze voldoende zijn afgestemd op de noden en verwachtingen van cliënten en therapeuten. QIT online is een breedspectrum monitoringprotocol dat een optimaal evenwicht probeert te vinden in het onvermijdelijke spanningsveld tussen gebruiksvriendelijkheid en klinische meerwaarde. Het combineert proces-, effect- en klimaatmetingen om inzicht te verwerven in de complexiteit en meerlagigheid van het concrete psychotherapeutisch traject. Daarnaast combineert QIT online kwalitatieve met kwantitatieve instrumenten. De kwalitatieve instrumenten leveren gepersonaliseerde feedback die als betekenisachtergrond fungeert om de kwantitatieve data tot leven te brengen. Kwalitatieve instrumenten plaatsen bovendien de uniciteit van elke cliënt en elke therapiesituatie letterlijk op de voorgrond.
Referentie
Stinckens, N., Smits, D., Rober, P. & Claes, L. (2012). Vinger aan de pols in psychotherapie. Monitoring als therapeutische methodiek. Leuven, Acco

Dinsdag 18 september 2012, 14u00-15u30
S13  Geestelijke gezondheid bij mensen met verstandelijke handicap en/of autisme: nieuwe permanente vormingsmodule met getuigschrift
voorzitter Jean Steyaert

S13.0 Inleiding
Jean Steyaert
, kinder-en jeugdpsychiater, hoofddocent, faculteit geneeskunde, UPC KULeuven campus Gasthuisberg

Personen met een verstandelijke beperking vertonen een brede waaier van psychische stoornissen gaande van aspecifieke gedrags-en emotionele problemen tot ernstige psychiatrische aandoeningen zoals psychosen, affectieve stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen. Binnen de groep van verstandelijk beperkten zijn gedragsproblemen de meest frequente reden van doorverwijzing naar een consultatie geestelijke gezondheidszorg. De cognitieve tekorten, het gebrekkige sociaal functioneren en communicatieproblemen bemoeilijken het diagnostisch proces. Nochtans is en vroege en accurate diagnose belangrijk om tot een optimale interventie en behandeling te komen.
Het afgelopen decennium is er sterk groeiende interesse voor deze problematiek. Deze nieuwe opleiding biedt een gespecialiseerde vorming voor hulpverleners die reeds een basisopleiding hebben en werkzaam zijn in de zorg voor personen met een verstandelijke beperking en/of autisme. Het is de bedoeling dat zij zich verder bekwamen in de diagnostiek en behandeling van gedrags-en psychiatrische problemen bij deze populatie. De opleiding beoogt kennis, inzicht en vaardigheden om gedrags- en psychiatrische problemen bij deze doelgroep tijdig te onderkennen, en op basis van een grondige diagnostiek de begeleiding en behandeling uit te stippelen. Dit symposium brengt een samenvatting van deze vernieuwende opleiding.

S13.1 Algemeen overzicht van de permanente vorming
Bea Maes
, orthopedagoge, professor, faculteit psychologische en pedagogische wetenschappen, KULeuven

De opleiding omvat een theoretische module (18u), een diagnostische module (8u), een module begeleiding en behandeling (38u), een module met specifieke thema’s (6u) en een module supervisie (21u).

S13.2 Agressie bij personen met een verstandelijke beperking
Eddy Weyts
, orthopedagoog, observatie-afdeling psychiatrische patienten met verstandelijke beperking, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek
Richard Cayenberghs, neuropsychiater, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

Binnen de groep van verstandelijk beperkten is agressie de meest frequente reden van doorverwijzing naar een psychiatrische opname-afdeling. In de opname-afdeling van het psychiatrisch ziekenhuis Sint-Camillus is er een jarenlange ervaring met deze populatie. Bij de groep patiënten met een dubbele diagnose psychiatrische problemen en een lichte verstandelijke handicap, zien we vaak kansarmoede en voorgeschiedenissen van verwaarlozing, mishandeling en hechtingsproblemen op de voorgrond.
Wij belichten deze problematiek vanuit deze ervaring en bespreken de richtlijnen en principes voor de praktijk uitgaande van het integratieve model van Dosen.

S13.3 Gedragsproblemen bij verstandelijk beperkten vanuit psycho-analytisch perspectief
Johan De Groef
, algemeen directeur vzw Zonnelied, Roosdaal

De ontmoeting met een mens met een handicap, de confrontatie met het fenomeen handicap, shockeert en fascineert, want die ‘unheimliche’ ontmoeting doet ons daveren op onze grondvesten, raakt ons tot in onze menselijke oorsprong. Het geeft dan ook te denken waarom, tot voor kort, dit thema in de psychoanalytische theorie en praktijk nauwelijks aan bod kwam.
Recente outcomestudies tonen duidelijk aan dat – los van hun verstandelijke niveau – mensen met een handicap baat hebben bij een langere en intensieve psychoanalytische psychotherapie die het trauma van de handicap erkent. Een talig armer maar daarom niet minder veelzeggend contact verhoogt duidelijk de kwaliteit van het psychisch leven van mensen met een handicap.
In algemene zin kan men stellen dat een psychoanalytisch referentiekader om drie redenen essentieel aangewezen is:
- Precies omdat er niets te ‘veranderen’ is aan de handicap als zodanig, is het psychoanalytisch referentiekader het meest draagkrachtig. Het geeft tijd en plaats aan wat niet-beheersbaar, niet-maakbaar, niet-herstelbaar is.
- We dienen de persoon met een handicap te beschouwen als een verlangend subject, en hem geenszins te reduceren tot object van verzorging.
- De psychoanalyse maakt geen kwalitatief onderscheid tussen het gewone leven en het ongewone leven dat ‘ortho-agogisch’ moet hersteld worden. Ze geeft alle kansen aan het ‘ongewone en buitengewone’ leven van een verlangend subject. De psychoanalyse is daarom een zeer inclusieve theorie en praktijk.

S13.4 Autisme en verstandelijke beperking
Annick Vogels
, kinder-en jeugdpsychiater, docent faculteit geneeskunde, UPC KULeuven campus Gasthuisberg

Het wordt algemeen aangenomen dat personen met een verstandelijke handicap een verhoogde kwetsbaarheid hebben tot het ontwikkelen van psychiatrische stoornissen. De verschillende studies hebben ver uiteenlopende resultaten gaande van 7% tot 97%.
Als gevolg van hun cognitieve beperking en moeilijke communicatie is het psychiatrisch onderzoek bij een verstandelijk beperkte moeilijk. Psychiatrische problemen uiten zich vaak als gedragsproblemen.
De belangrijkste problemen bij de interpretatie van de symptomen worden onderverdeeld in vier grote categorieën: baseline exaggeration, intellectual distortion, psychosocial masking, en cognitive desintegration.
Aan de hand van enkele casussen bespreken wij frequente psychiatrische stoornissen: psychosen, katatonie en stemmingsstoornissen.

Dinsdag 18 september 2012, 16u00-17u30
S14  Outreaching bij personen met een verstandelijke beperking: hoe anders is anders?
voorzitter Gunther Degraeve, beleidspsychiater MIC, outreach De Steiger – De Meander, PC Dr. Guislain, Gent

S14.0 Inleiding
Filip Morisse
, ortho-agoog, outreach De Steiger – De Meander, PC Dr. Guislain, Gent

Outreaching als methodiek is in grote opmars in de welzijns- en gezondheidssector. Bij verschillende doelgroepen en in verschillende zorgvormen lijkt outreach één van de ontbrekende modules in het netwerk en zorgcircuit. In dit symposium wordt gereflecteerd over deze methodiek bij een bijzondere doelgroep, m.n. personen met een verstandelijke handicap en bijkomende gedragsproblemen en/of psychiatrische stoornissen.
Wat kan outreaching betekenen voor een doelgroep en hun context, waarrond meestal al heel wat zorg en ondersteuning wordt aangeboden, o.m. vanuit hun afhankelijkheid en kwetsbaarheid? In hoeverre werkt outreach ‘anders’ dan begeleid wonen, thuisbegeleiding (VAPH), dan psychiatrische thuiszorg of de toekomstige 2b-teams (chronische zorg)? Het effect van outreaching wordt voorgesteld vanuit het perspectief van de cliënt, de familie, de verwijzers en de psychiater.

S14.1 Outreaching vanuit het perspectief van de cliënt
Ann Demon
, psychiatrisch verpleegkundige, outreach De Steiger – De Meander, PC Caritas, Melle

Outreach: weer iemand nieuw, iemand die ik niet ken en zomaar in mijn woning komt meekijken, ik ben er toch niet gerust in. Mijn begeleiding geeft veel uitleg en zegt dat ik me geen zorgen moet maken, maar ik weet niet goed waarover het allemaal gaat. Ik hou niet zo van pottenkijkers. Ze zeggen dat ze eens komen kijken hoe de begeleiding werkt en hoe zij hen kunnen helpen om ons beter te begrijpen. Het is maar goed dat ik er niet te veel last van heb.
Ik ben blij dat die mensen van outreach mij niet kunnen laten opnemen in psychiatrie, maar een echte geruststelling is dat niet… ik ben al zoveel keren in mijn leven moeten verhuizen, ze hebben al zoveel in mijn plaats beslist, ik zal mij maar op mijn gemak voelen als ik hier mag blijven.
Outreach: eindelijk iemand die eens zegt waarom het allemaal zo moeilijk is voor mij, die kan uitleggen wat ik al heel mijn leven probeer te zeggen, maar er de juiste woorden niet voor vindt, iemand naar wie geluisterd wordt….
Outreach is voor mij iemand die ziet dat ik mijn best doe en begrijpt dat het voor mij niet altijd zo gemakkelijk is; iemand die mij wil helpen, die ook ziet wat ik goed kan en niet altijd ‘zeurt’ over wat mis loopt….
Outreach is voor mij iemand die met mijn begeleiding praat zodat zij mij beter kunnen helpen, iemand die ervoor zorgt dat ik bij mensen terecht kan met mijn verhaal, maar ook iemand die samen met mij naar de dokter gaat als ik dit niet alleen durf, die mij begeleidt op het bustraject naar mijn nieuwe werkplaats, iemand die mij laat voelen dat ik er niet alleen voor sta…

S14.2 Outreaching vanuit het perspectief van de familie
Patrick De Backer
, psychiatrisch verpleegkundige, outreach De Steiger – De Meander, PC Dr. Guislain, Gent

Families van de cliënten die bij ons in outreach aangemeld worden reageren heel verschillend op onze “inmenging”. Wanneer men ons inschakelt dan zijn er veelal een hele tijd problemen met de cliënt, zijn familie maakt deze moeilijke periodes met een zwaar gemoed mee. Naargelang de eigen ervaringen met de hulpverlening reageren families van “heel opgelucht” over “moet ik dat nu weer voor de zoveelste keer vertellen” naar “ik sta met mijn rug tegen de muur in deze situatie” tot “ik wil er eigenlijk zo weinig mogelijk mee te maken hebben”.
Deze “houdingen” zorgen er telkens voor dat wij iedere familie “anders” moeten benaderen wat niet altijd eenvoudig is.

S14.3 Outreaching vanuit het perspectief van de verwijzer
Leen De Neve
, ortho-agoge, psychiatrisch verpleegkundige, outreach De Steiger – De Meander, PC Caritas, Melle

Wat betekent outreach voor de mensen die hun cliënt, hun familielid bij ons aanmelden en – samen met ons – op stap gaan?
Vaak wil de verwijzer onmiddellijke oplossingen horen. Wij geven echter net nièt die pasklare antwoorden, maar gaan samen met de verwijzer op zoek. Waar de verwijzer ‘zijn’ cliënt meestal door en door kent, kijkt outreach hier en daar door een andere bril: niet enkel naar het gedrag, maar ook naar de basale emotionele noden, niet enkel naar wat er fout loopt, maar ook naar wat nog goed gaat…
De verwijzer kan het gevoel hebben dat die buitenstaanders “makkelijk praten hebben”, daarom gaan we in de context, naast de verwijzer staan en gaat het over mee-doen, samen-doen, ideeën geven op de werkvloer, …waardoor dit bijzonder laagdrempelig is voor de verwijzer. De expertise die we inbrengen, sluit dan naadloos aan op de ‘vraag’ van de verwijzer en zijn cliënt en heeft als doel om te kunnen verklaren, te duiden, wat voor een beter begrip kan zorgen bij de verwijzer en opnieuw ideeën kan bieden tot handelen.
De verwijzer kan het gevoel hebben dat hij gefaald heeft, dat niets meer werkt, dat hij “het niet kan”… de taak van outreaching is dan de aanwezige sterktes naar boven halen en benoemen. Geen enkele situatie is zo slecht dat er geen krachten/sterktes aanwezig zijn waarop men kan verder bouwen.

S14.4 Outreaching vanuit het perspectief van de psychiater
Gunther Degraeve
, beleidspsychiater MIC, outreach De Steiger – De Meander, PC Dr. Guislain, Gent

Deze bijdrage geeft bijzondere aandacht aan het managen van het outreachproces.
Enerzijds is er de supervisie en intervise van het outreachteam zelf. Daar komt ook het ontwikkelen en verfijnen, maar tegelijk ook bewaken van de verworvenheden van de methodologie en interne werking bij. In ideale omstandigheden groeit dit tot een zelfsturend proces. Anderzijds is er de concrete casus, waarin de relatie van het outreachteam met de context (familie, verwijzers) en de cliënt centraal staat. Een bijzonder grote uitdaging ligt in het bewaken dat de context effectief sterker wordt en zich niet afhankelijk gaat voelen van outreach. Tegelijk wordt ook stilgestaan bij de delicate situatie die zich stelt als er duidelijk dysfunctioneren in de context wordt vastgesteld.
De verschillen tussen outreachend optreden en een ambulante (psychotherapeutische of psychiatrische) behandeling worden aangegeven vanuit de verschillende relatie die bestaat met de cliënt, de context maar ook met de reeds aanwezige behandelend arts/psychiater. Diagnostiek en interventie gebeuren vanuit een ander perspectief, wat zowel voor- als nadelen met zich meebrengt.

Dinsdag 18 september 2012, 16u00-17u30
S15  Actuele thema’s uit de seksuologie
voorzitter Ilse Penne

S15.0 Inleiding
Ilse Penne
, psycholoog, seksuoloog, voorzitter Vlaamse Vereniging voor Seksuologie / CGG Waas en Dender

Seks problematiseren is soms nodig, maar het leidt niet automatisch tot voldoening tussen de lakens. Mensen schrijven vaak vlotjes een klachtenbrief, met daarin alles wat ze niet willen. Maar wat ze nodig hebben is een seksuele handleiding. Een overzicht van wat ze wel willen en hoe ze het willen... dat voldoende concreet is, rekening houdt met hun waarden en beperkingen, en flexibel is in gebruik. Alexander Witpas geeft een overzicht van welke vragen mensen zichzelf kunnen stellen, als ze een realistisch en bruikbaar beeld willen krijgen van hoe ze hun seksleven vorm willen geven.
Er bestaat een sterke associatie tussen de term pedofilie – een parafiele seksuele voorkeur – en het idee van crimineel wangedrag. De algemene opvatting lijkt dat wie opgewonden kan worden van kinderen/jongeren altijd deze gevoelens in problematisch gedrag zal omzetten. Toch bestaat er geen eenduidig verband tussen seksuele voorkeur en actieve seksualiteitsbeleving. Meer aandacht moet besteed worden aan wat men zegt/schrijft over pedofilie en welke termen men daarvoor gebruikt. Sam Geuens staat stil bij hoe woordgebruik in o.a. de media mee onze opvattingen over pedofilie vormgeeft en bij de mogelijke gevolgen voor betrokkenen (hulpbehoevende en hulpverleners) en de gemeenschap.
Genderproblemen verwijzen naar moeilijkheden die personen kunnen ervaren door een discrepantie tussen biologische geslacht en genderidentiteit. Het Centrum voor Seksuologie en Genderproblematiek (UZGent) begeleidt sinds meer dan twintig jaar personen met genderproblemen. De benadering is de voorbije twee decennia geëvolueerd vanuit een sterk gestructureerde protocollaire aanpak naar een meer individueel aangepast protocol, zonder de noodzakelijke stappen te negeren. Els Elaut schetst de aanpak van de begeleiding van individuen met een genderprobleem.

S15.1 Genderproblemen en hun gevolgen
Els Elaut
, psycholoog, seksuoloog, UZ Gent

Genderproblemen verwijzen naar moeilijkheden die personen kunnen ervaren ten gevolge van een discrepantie tussen hun biologische geslacht en genderidentiteit. Het Centrum voor Seksuologie en Genderproblematiek (UZGent) heeft reeds meer dan twintig jaar expertise opgebouwd in de behandeling van personen met genderproblemen. Meestal gaat dit om een geslachtsaanpassende behandeling. De benadering is de voorbije twee decennia geëvolueerd vanuit een sterk gestructureerde protocollaire aanpak naar een meer individueel aangepast protocol, zonder de noodzakelijke stappen te negeren.
Gezien uit onderzoek én eigen ervaring blijkt dat een geslaagde sociale en familiale integratie in de nieuwe geslachtsrol cruciaal is voor een positieve outcome, wordt tevens aandacht verleend aan familie, ouders, kinderen en partners. Medisch gezien kunnen o.a. laserepilatie, stemoperaties en faciale feminiserende ingrepen helpen bij de integratie.
Ook de "depsychiatriserende" visie, voornamelijk vanuit de gebruikers, heeft zijn invloed op onze aanpak, waardoor de beslissingsverantwoordelijkheid gedeeld wordt. De laatste jaren gaat er meer aandacht naar kinderen en jongeren met genderproblemen. Samen met hun ouders kunnen ze terecht bij kinderpsycholoog, kinderpsychiater en kinderendocrinoloog voor diagnostiek, advies en behandeling.

S15.2 Een persoonlijke, oplossingsgerichte seksuele handleiding
Alexander Witpas
, seksuoloog, zelfstandige praktijk, Antwerpen

Personen en koppels die een hulpverlener opzoeken met een seksueel probleem, hebben meestal specifieke klachten. De begeleiding start vanuit een analyse van die klachten en is meestal probleemgericht. Een oplossingsgerichte benadering gaat er van uit dat de kenmerken van een oplossing niet noodzakelijk iets te maken hebben met de kenmerken van het probleem. Mensen beschikken over een hele reeks aan hulpbronnen die nuttig kunnen zijn, maar buiten beeld blijven omdat ze niet gelinkt zijn aan het acute lijden. In plaats van (enkel) te focussen op wat niet lukt, kan het helpen om via een haalbare methodiek op zoek te gaan naar alle ervaringen, vaardigheden, waarden en ideeën die iemand kunnen helpen, en samen zijn of haar seksuele 'handleiding' vormen.

S15.3 Pedofilie: lost in translation
Sam Geuens
, seksuoloog, Therapeutenpraktijk Mol, Mol

Een van de meer controversiële thema’s binnen de seksuologie, parafiele seksuele voorkeuren, hebben steeds een grote rol gespeeld in het debat over normale en gezonde versus abnormale en pathologische seksualiteit (Laws, & O’Donohue, 2008). Recent kwam door grote media-aandacht een specifieke parafiele seksuele voorkeur vaak in the spotlight te staan, nl. pedofilie. Er blijkt een ongewoon sterke associatie te bestaan tussen het concept pedofilie – uiteindelijk een term die een bepaalde seksuele voorkeur aanduidt – en het idee van crimineel en dus strafbaar gedrag. De mogelijkheid dat men een bepaalde seksuele voorkeur heeft en er niet naar handelt lijkt zelden bij ons op te komen.
Deze bijdrage wil even stil staan bij het feit dat wanneer het gaat om controversiële en gevoelige onderwerpen zoals pedofilie, mensen meer moeten stilstaan bij de boodschappen die ze geven en de woorden die ze daarvoor gebruiken. Zowel de veelheid van termen die gebruikt worden om eenzelfde zaak te omschrijven, als het foutief gebruiken van termen in de media en in wetenschappelijk onderzoek kan verregaande ethische, medische, juridische en sociale gevolgen hebben op persoonlijk en maatschappelijk vlak.

Dinsdag 18 september 2012, 16u00-17u30
S16  Psychosezorg anno 2012: een zoektocht naar de ideale relaties tussen behandelmodellen om tot een kwaliteitsvolle begeleiding te komen
voorzitter Stephan De Bruyne, psychiater, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas

S16.0 Inleiding
Joris Corthouts
, psycholoog, zorgprogrammaverantwoordelijke psychosezorg LEgato, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas

De aanpak van psychotische stoornissen heeft - net als de algemene geestelijke gezondheidszorg - de voorbije decennia ingrijpende veranderingen ondergaan.
Binnen dit symposium lichten we de verschillende pijlers van de psychosezorg in het PC Sint-Hiëronymus toe. Er wordt stilgestaan bij herstelgerichte zorg en Acceptance & Commitment Therapy (ACT) en hoe deze twee benaderingen geïntegreerd zijn  in de aanpak van psychotische stoornissen.

S16.1 Facetten van herstelgerichte zorg
Jeroen Kleinen
, psychiater, Legato, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas

Herstel benaderen we in dit symposium zoals William Anthony dit in 1993 omschreef: “‘Een zeer persoonlijk en uniek proces dat te maken heeft met de waarden, attitudes, gevoelens, persoonlijke doelen, sociale rollen en de vaardigheden van een persoon. Het is een manier om een bevredigend, hoopvol en sociaal betekenisvol leven te leiden, zelfs met de beperkingen van de ziekte. Herstel betekent een nieuwe zin geven aan het leven van iemand die de catastrofe van een psychiatrische aandoening probeert te verwerken’”. Herstelgerichte zorg bekijken we als de elementen die het herstel faciliteren.
De spreker brengt een toelichting van een aantal noodzakelijke facetten binnen de herstelgerichte zorg. In deze uiteenzetting komen belangrijke methodieken (familiewerking, faciliteren van de inzet van de eigen kennis en ervaring, verhogen van de zelfstandigheid,…) aan bod die volgens de huidige tijdsgeest noodzakelijk zijn in de begeleiding van psychotische stoornissen. We staan eveneens stil bij een aantal vragen: wat betekent aanklampende zorg en welke rol speelt dit in herstelgerichte zorg? Hoe kan men personen met een beperkt tot geen ziekte-inzicht verleiden tot zorg? Welke attitude is aangewezen bij de hulpverlener binnen herstelgerichte zorg?
Referenties
Anthony, W.A. (1993), Recovery from mental illness: The guiding vision of the mental health service system in the 1990s. Psychosocial Rehabilitation Journal, 16, 11-23

S16.2 Een herstelgericht medicamenteus beleid
Sephan De Bruyne
, psychiater, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas

Binnen persoonlijke herstelprocessen kan medicatie een belangrijke rol spelen. In de acute fase spreken we vooral over symptoomcontrole. Daarnaast kan medicatie het vervolg van de behandeling faciliteren. Er ontstaat als het ware ruimte voor herstel. Hierbij is het van belang dat de medicatie correct wordt ingenomen. Bij psychotische stoornissen is het gebruik van antipsychotica ter preventie van nieuwe psychotische opstoten herhaaldelijk aangetoond. Wampers, De Hert & Peuskens (2002) vermelden bijvoorbeeld dat 80% van de mensen die stoppen met medicatie, hervallen – ook wanneer reeds jaren geen recidief gekend was. Wanneer medicatie wel correct wordt ingenomen, bedraagt dit cijfer 15 – 20% (Peuskens, 2009).
In de klinische praktijk merken we echter dagelijks dat het niet vanzelfsprekend is om personen met een psychotische stoornis het belang van een medicamenteuze behandeling te laten inzien. Medicatietrouw blijft aldus een heikel punt.
De spreker licht een herstelgericht medicamenteus beleid toe aan de hand van “shared decision making”. Daarnaast staat hij stil bij de verschillen met het gekende medische model. Zowel de voor- als de nadelen worden toegelicht.
Referenties
Wampers, M., De Hert, M., & Peuskens, J. (2002). De (on)draaglijke lichtheid van preventie van schizofrene psychose. Mechelen, Kluwer
Peuskens, J. (red.) (2009). N.O.T.I.S. Schizofrenie. Hervalpreventie heeft belang. Gent, Academia Press

S16.3 Acceptance and Commitment Therapie in de psychosezorg
Joris Corthouts
, psycholoog , Legato/zorgprogrammaverantwoordelijke psychosezorg, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas

ACT vindt – nadat vooral Engelstalige landen overstag gingen voor deze relatief nieuwe gedragstherapeutische begeleiding – tegenwoordig meer en meer ingang in de Nederlandstalige geestelijke gezondheidszorg. Het betreft een erg ervaringsgerichte benadering van de mens als geheel in zijn leefcontext.
ACT is eerder ”symptoom-a-specifiek”: de therapie focust voornamelijk op hoe men een meer waardevol leven kan nastreven – eerder dan te streven naar symptoomreductie. Deze therapievorm heeft zijn werkzaamheid reeds bewezen bij verschillende kwetsbaarheden: pijnklachten, afhankelijkheid, burn-out, angstklachten,… Voor een uitgebreide kennismaking verwijzen we graag naar Hayes, Strosahl & Wilson (2011).
De spreker brengt een korte uiteenzetting over ACT en de implementatie ervan binnen de psychosezorg. Wat betekent ACT voor een multidisciplinaire werking? Welke nuances zijn nodig binnen het ACT-model wanneer men werkt met psychotische stoornissen? Welke impact heeft het model in het therapeutisch aanbod?
Referenties
Hayes, S.C., Strosahl, K.D. & Wilson, K.G. (2011). Acceptance and Commitment Therapy, Second Edition: The Process and Practice of Mindful Change. New York, Guilford Press

S16.4 LargoACT, een dagcentrum voor mensen met een psychotische problematiek
Marnix Mys
, diensthoofd Largo, PC Sint-Hiëronymus, Sint-Niklaas

Praktijkvertaling van de integratie van beide pijlers door een voorstelling van LargoACT, een dagcentrum dat de kloof dicht tussen ambulante begeleiding en volledige residentiële zorg bij mensen met een psychotische problematiek en een recente ziektegeschiedenis. De stap naar een volledige integratie binnen de maatschappij voor jonge personen in opname alsook het voorkómen van (of voorbereiden op) een volledige opname zijn de doelstellingen van LargoACT.
Het dagcentrum is een tussenstation, een verbinding en te situeren tussen de ambulante zorg en volledig residentieel verblijf, waarbij met beide (groepen van) partners optimale, wederkerige samenwerkingsverbanden nodig en tot stand gebracht zijn. Langs ambulante kant is dit met huisartsen, psychiaters, VDIP,…  Langs residentiële kant is dit voornamelijk met de opnameafdeling Legato van het APZ Sint-Hiëronymus. De dagelijkse praktijk van aanklampende zorg, personen met een beperkt tot geen ziekte-inzicht verleiden tot zorg, de noodzaak van laagdrempeligheid en flexibiliteit in aanbod voor deze populatie, de ruimte voor het experiment, motivationele gespreksvoering, de attitude van de hulpverlener of begeleidende teams, optimale continuïteit van zorg, … passeert de revue.

Dinsdag 18 september 2012, 16u00-17u30
S17  De kracht van psychoanalytische therapie
voorzitter Marc Hebbrecht

S17.0 Inleiding
Marc Hebbrecht
, psychiater, Kortenberg

De laatste decennia vindt er in toenemende mate onderzoek plaats door middel van randomized clinical trials en cohortonderzoek over kortdurende en langdurige psychoanalytische therapieën. Een overzicht van dit onderzoek kan geraadpleegd worden op de website van de VVPT: www.vvpt.be/.
Dit overzicht is tot stand gekomen, mede dank zij de inspanningen van prof. dr. P. Luyten.
Tijdens dit symposium, waarin vooraanstaande Vlaamse onderzoekers het woord voeren, wordt aangetoond dat de achterstand op het gebied van wetenschappelijk onderzoek naar de werkzaamheid van psychoanalytische therapieën voor een groot deel is ingehaald.

S17.1 Kwalitatieve klinische psychodiagnostiek: hoe en waarom
Stijn Vanheule
, professor, Vakgroep Psychoanalyse, Universiteit Gent

Klinische diagnosen zijn narratieve formuleringen waarbij op casusniveau uitspraken worden gedaan over psychisch (dis-)functioneren. In deze bijdrage gaan we na hoe de betrouwbaarheid en validiteit van dergelijke diagnostische formuleringen geoptimaliseerd kunnen worden met behulp van principes voor kwaliteitsborging uit de methodologie van kwalitatief onderzoek. We starten met een typering van klinische psychodiagnostiek, vervolgens bespreken we de eigenheid van kwalitatief onderzoek in de psychologie en tot slot bespreken we hoe kwalitatieve onderzoeksmethologie kan gebruikt worden om klinische psychodiagnostiek te optimaliseren.

S17.2 De wetenschappelijke onderbouwing van psychoanalytische therapie
Patrick Luyten
professor, Onderzoekseenheid Klinische Psychologie, KULeuven

Nog al te vaak wordt aangenomen dat de effectiviteit van verschillende varianten van psychoanalytische therapie niet of onvoldoende empirisch onderbouwd is.
In deze bijdrage toon ik aan dat deze aanname grotendeels berust op een misverstand. Wetenschappelijk onderzoek heeft de laatste decennia immers toenemende ondersteuning geleverd voor de werkzaamheid, doeltreffendheid en kosteneffectiviteit van kortdurende psychoanalytische psychotherapie en een aantal varianten van langerdurende psychodynamische psychotherapie bij een brede waaier van aandoeningen. Ook de kwaliteit van dit onderzoek doet niet onder voor dat van effectiviteitonderzoek naar andere vormen van psychotherapie. Wetenschappelijk onderzoek laat ook steeds beter toe te begrijpen hoe psychoanalytische therapie werkt.
Tegelijkertijd stip ik een aantal belangrijke pijnpunten aan, waaronder de blijvende nood aan meer onderzoek naar de effectiviteit van een aantal vaak beoefende vormen van psychoanalytische therapie, de enorme achterstand in Vlaanderen in onderzoek naar de effectiviteit van psychoanalytische behandelingen, het gebrek aan wetenschappelijke ingesteldheid in bepaalde psychoanalytische kringen en de achterstand inzake de opleiding in en implementatie van evidence-based psychoanalytische behandelvormen.

S17.3 Paneldiscussie
Rudi Vermote
, psychiater, professor, UPC KULeuven, campus Kortenberg

Tijdens de discussie wordt de relevantie van de onderzoeksgegevens voor de klinische praktijk besproken.

Dinsdag 18 september 2012, 16u00-17u30
S18  Jongeren op zoek naar identiteit en autonomie: wanneer ontspoort het in een eetstoornis en hoe kan het therapeutisch worden aangepakt?
voozitter Walter Vandereycken

S18.0 Inleiding
Walter Vandereycken
, psychiater, professor, PK Broeders Alexianen, Tienen

Welke jongeren zijn meer vatbaar voor de ontwikkeling van een eetstoornis (type anorexia of boulimia nervosa) en welke factoren spelen een rol in de behandeling ervan? De resultaten van drie onderzoeksprojecten pogen een antwoord te geven op deze vragen.
In een eerste onderzoek werd nagegaan of een bepaalde identiteitsstijl bij jongeren het risico verhoogt om het schoonheidsideaal over te nemen en meer dieetgedrag te stellen. Bij de ontwikkeling van een eetstoornis blijkt bovendien perfectionisme een belangrijke rol te spelen. Daarom werd vervolgens onderzocht hoe de mate van perfectionisme invloed heeft op het verloop van de behandeling. Dit laatste hangt ten slotte in sterke mate af van de motivatie tot verandering: hier kan de stijl van aanpak (autonomieondersteunend tegenover controlerend) bepalend zijn, zoals in het derde onderzoek werd bestudeerd.
De implicaties van deze bevindingen voor preventie en therapie worden besproken.

S18.1 Ik weet niet wie ik ben en wat ik wil: de invloed van identiteit op het overnemen van het schoonheidsideaal en dieetgedrag
Joke Verstuyf
, licentiaat psychologie, doctoraatsstudent, Universiteit Gent

In de huidige studie gaan we na welke rol identiteitsprocessen spelen in het overnemen van het schoonheidsideaal en dieetgedrag. Terwijl jongeren met een informatieve stijl actief informatie opzoeken en op een kritische manier nadenken om hun identiteit op te bouwen, gaan jongeren met een normatieve identiteitsstijl vooral de socioculturele waarden uit hun omgeving overnemen. Jongeren met een diffuse identiteitsstijl vermijden om hun identiteit op te bouwen met het risico een eerder ‘lege’ identiteit te ontwikkelen.
In de huidige studie volgen we een groep jongeren (N=785, leeftijd =13.6, 54.5% meisjes) gedurende drie jaar. Via structurele vergelijkingsmodellen wordt nagegaan of jongeren met een normatieve en diffuse identiteitsstijl meer risico lopen om het schoonheidsideaal over te nemen op tijdstip 2 in vergelijking met jongeren die een informatieve identiteitsstijl hanteren. Bovendien wordt nagegaan of het overnemen van het schoonheidsideaal op tijdstip 2 meer dieetgedrag en uiterlijk-gefocust dieetgedrag met zich meebrengt op tijdstip 3. Resultaten geven aan dat jongeren met een informatieve stijl het schoonheidsideaal minder zullen nastreven op tijdstip 2, wat dan minder intensief en minder uiterlijk-gefocust dieetgedrag op tijdstip 3 met zich meebrengt. Bovendien bleken jongeren met een informatieve identiteitsstijl na 2 jaar meer op hun gezondheid gefocust te zijn, terwijl jongeren met een diffuse identiteitsstijl net minder op hun gezondheid letten na verloop van twee jaar.
Klinische en theoretische implicaties worden besproken.

S18.2 Zorgverleners en medepatiënten als motiverende coaches: autonomieondersteuning en welbevinden bij patiënten met een eetstoornis
Jolene Van der Kaap-Deeder
, licentiaat psychologie, doctoraatsstudent, Universiteit Gent

De Zelf-Determinatie Theorie (ZDT) stelt dat de ondersteuning en bevrediging van de drie psychologische basisbehoeftes aan autonomie (handelen in overeenstemming met de ware ‘zelf’), competentie (zich als succesvol ervaren), en relationele verbondenheid (een warme band ervaren) de motor vormt voor onze groei en welbevinden. In deze longitudinale studie bij een groep patiënten met een eetstoornis wordt de samenhang tussen autonomie-ondersteunend versus controlerend handelen, vanwege zowel zorgverleners als medepatiënten, en welbevinden van patiënten onderzocht. De relevante variabelen zijn op drie momenten gemeten, namelijk in het begin van de behandeling, na 14 dagen en aan het einde. Een autonomie-ondersteunende aanpak houdt het bieden van keuzemogelijkheden in, het geven van een zinvolle uitleg en het werken vanuit het perspectief van de patiënt, terwijl een controlerende stijl gekenmerkt wordt door het voorschrijven van een bepaalde manier van handelen, voelen of denken.
Op basis van de ZDT verwachten we dat gepercipieerde autonomieondersteuning versus controle geassocieerd is met een hoger niveau van welbevinden omdat een dergelijke aanpak beter tegemoet komt aan de drie psychologische basisbehoeftes van de patiënten. Verschillen tussen (de effecten van) autonomie-ondersteunend gedrag vanwege de medepatiënten en zorgverleners worden belicht.

S18.3 Hoe evolueren perfectionisme en eetstoornissymptomen gedurende therapie? Welke rol spelen de therapeutische relatie en behoeftefrustratie hierbij?
Liesbet Boone
, licentiaat psychologie, doctoraatsstudent, Universiteit Gent

Perfectionisme is een persoonlijkheidskenmerk dat sterk aanwezig is bij eetstoornispatiënten. Zo hebben eetstoornispatiënten gemiddeld hogere perfectionismescores in vergelijking met gezonde leeftijdgenoten. Onderzoek toont eveneens aan dat perfectionisme de therapeutische vooruitgang bemoeilijkt: eetstoornispatiënten met een hogere mate van perfectionisme kennen een minder sterke daling in eetstoornissymptomen gedurende therapie en hebben een moeilijkere therapeutische relatie met hun therapeut vergeleken met patiënten die minder perfectionistisch zijn. In deze studie willen we verder nagaan hoe perfectionisme en eetstoornissymptomen evolueren gedurende de therapie en hoe perfectionisme bij aanvang van therapie invloed uitoefent op de verandering in eetstoornissymptomen. Naast de rol van de therapeutische relatie willen we ook de rol van een bijkomende mediator nagaan. Op basis van de zelf-determinatietheorie onderzoeken we in welke mate frustratie van de noden aan autonomie, verbondenheid en competentie kunnen verklaren waarom perfectionisme binnen therapie therapeutische vooruitgang belemmert. Om deze onderzoekvragen te beantwoorden, werden eetstoornispatiënten bij aanvang van therapie (T1) en na drie maanden opname (T2) gevraagd om een aantal vragenlijsten in te vullen die peilen naar perfectionisme (T1&T2), eetstoornissymptomen (T1&T2), therapeutische relatie (T2) en noodfrustratie (T2). 97 patiënten (gemiddelde leeftijd 22 jaar) vulden deze vragenlijsten in bij aanvang van therapie en 49 van deze patiënten vulden eveneens vragenlijsten in op T2. Om de onderzoeksvragen te beantwoorden maken we gebruik van latent change modeling, een techniek waarmee we kunnen intra-individuele veranderingen in eetstoornissymptomen nagaan, wat klinisch zeer relevant is.

Dinsdag 18 september 2012, 16u00-17u30
S19  Acute agitatie behandelen in Vlaanderen
voorzitter Chris Bervoets

S19.0 Inleiding
Chris Bervoets
, psychiater, hoofd psychiatrische intensieve zorgen, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge

Binnen de ggz wordt regelmatig gebruik gemaakt van medicatie om agitatietoestanden, bij een onderliggende psychiatrische stoornis, beheersbaar en veilig te krijgen. Verschillende termen worden gebruikt voor dit medicamenteuze ingrijpen. Deze termen worden vaak door elkaar gebruikt maar dekken nochtans andere ladingen: o.a. impliciete vooronderstellingen over het beoogde eindresultaat.
In een eerste bijdrage wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste karakteristieken van een efficiente strategie en de “evidence base“ voor deze strategieën.
In een tweede bijdrage worden de gegevens voorgesteld uit een in 2012 uitgevoerde bevraging van Vlaamse psychiaters over hun medicamenteuze strategieën in de aanpak van acute agitatie. Naast de types van farmaca die in gebruik zijn wordt ook toegelicht of er richtlijnen gebruikt worden, en om welke richtlijnen het gaat.
Naast een efficiente medicamenteuze behandeling is er ook heel wat te zeggen over de niet farmacologische aanpak, meer in het bijzonder afzondering en fixatie als dwangmaatregel. Effectonderzoek en ethische richtlijnen komen hier aan bod.

S19.1 Acute ingrijpmedicatie: een update
Jürgen De Fruyt
, psychiater, hoofd EPSI Brugge, Dienst Psychiatrie-Psychosomatiek, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV
Chris Bervoets, psychiater, hoofd psychiatrische intensieve zorgen, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge

Binnen de ggz wordt regelmatig gebruik gemaakt van medicatie om agitatietoestanden, bij een onderliggende psychiatrische stoornis, beheersbaar en veilig te krijgen. Verschillende termen worden gebruikt voor dit medicamenteuze ingrijpen: rapid neuroleptization, chemical restraint, rapid tranquilization en urgente sedatie. Deze termen worden vaak door elkaar gebruikt maar dekken nochtans andere ladingen: o.a. impliciete vooronderstellingen over het beoogde eindresultaat. Belangrijk bij acute ingrijpmedicatie is de snelle en kortdurende werking, een veilig gebruik, weinig hinderlijke bijwerkingen en een transnosologische doeltreffendheid. Meestal is de onderliggende psychiatrische stoornis immers niet of onvoldoende duidelijk, de interventie richt zich op symptomen, niet op de onderliggende stoornis. Diverse farmaca en toedieningsvormen worden hiervoor aangewend: eerste en tweede generatie antipsychotica, benzodiazepines, antihistaminica, peroraal, intramusculair, intraveneus.
Wetenschappelijk onderzoek is beperkt zowel in aantal studies als in ecologische validiteit. De presentatie geeft een overzicht van de wetenschappelijke evidentie en richtlijnen. Nadruk wordt gelegd op de toepasbaarheid hiervan in diverse klinische contexten: opname-afdeling, algemene spoedgevallendienst, psychiatrische spoedgevallendienst. Handvatten worden geboden voor een wetenschappelijk gefundeerd en rationeel gebruik van acute ingrijpmedicatie.
Referenties
De Fruyt, J. & Demyttenaere, K. (2004). Rapid tranquilization: new approaches in the emergency treatment of behavioral disturbances. European Psychiatry, 19(5), 243-249
Bak, M., Van Os, J. & Marcelis M. (2011). Acute ingrijpmedicatie; literatuuroverzicht en aanbevelingen. Tijdschrift voor Psychiatrie, 53(10), 727-737

S19.2 Wat schrijft de Vlaamse psychiater voor?
Chris Bervoets
, psychiater, hoofd psychiatrische intensieve zorgen, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge
Jürgen De Fruyt, psychiater, hoofd EPSI Brugge, Dienst Psychiatrie-Psychosomatiek, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV
Manuel Morrens, psychiater, post-doc navorser, Wilrijk
Barry Dekeyzer, urgentiearts, diensthoofd Spoedgevallen en MUG, AZ Herentals 
Hella Demunter,
psychiater, hoofd psychiatrische intensieve zorgen, UPC KULeuven campus Kortenberg

Uit de klinische praktijk mogen we aannemen dat er in Vlaanderen zeer regelmatig een farmacologische behandeling wordt ingesteld om acute agitatie in te dijken, dikwijls in moeilijke klinische omstandigheden waarbij men weinig anamnestische informatie heeft en het onderliggende ziektebeeld zelden erg duidelijk is. Bovendien is de nationale literatuur over deze specifieke indicatie erg zeldzaam, en dat geldt in grote mate ook voor de internationale literatuur.
Om een zicht te krijgen op de Vlaamse praktijk werd begin 2012 een bevraging uitgevoerd bij Vlaamse psychiaters. Daarin werd gepeild naar het type medicamenteuze strategie dat door de psychiater werd gebruikt, hoe effect en veiligheid van het voorschrift werden opgevolgd en of er gebruik werd gemaakt van een therapeutische richtlijn bij de keuze van de medicamenteuze strategie.
In deze bijdrage worden de resultaten van de bevraging voor het eerst voorgesteld. Bovendien wordt, uitgaande van de gegevens uit de bevragingn het en de noodzaak van nationale richtlijnen geargumenteerd.

S19.3 Registratie van afzondering en fixatie in twee afdelingen voor psychiatrische intensieve zorgen en in een eenheid voor psychiatrische spoedinterventie
Hella Demunter
, psychiater, hoofd psychiatrische intensieve zorgen, UPC KULeuven campus Kortenberg
Jürgen De Fruyt, psychiater, hoofd EPSI Brugge, Dienst Psychiatrie-Psychosomatiek, AZ Sint-Jan Brugge-Oostende AV
Chris Bervoets, psychiater, hoofd psychiatrische intensieve zorgen, PZ Onze-Lieve-Vrouw, Brugge

Twee afdelingen voor psychiatrische intensieve zorgen en een eenheid voor psychiatrische spoedinterventie verzamelden hun data over het gebruik van dwangmaatregelen gedurende de voorbije jaren. Het gebruik van afzondering en fixatie bij patiënten met een ernstige psychiatrische aandoening is een relatief veel toegepaste, doch geen op evidentie gebaseerde beveiligingsmaatregel. Er blijken zelfs potentieel negatieve gevolgen: naast het traumatiserende en mogelijk negatieve effect van de ervaren dwang op de therapeutische relatie, ook somatische comorbiditeit. Er rijzen vragen op ethisch en klinisch vlak. Daartegenover blijft het moeilijk een evenwicht te vinden tussen enerzijds het beschermen van de patiënt tegen zichzelf en anderen met zo weinig mogelijk restrictieve maatregelen en anderzijds het verzekeren van de veiligheid voor de hulpverleners en medepatiënten op de afdeling.
Het UPC KULeuven, campus Kortenberg ontwikkelde een nieuw afzonderingsbeleid. Gebaseerd op de principes van proportionaliteit wordt bij noodzaak tot beveiliging gekozen voor de minst restrictieve maatregel voor de patiënt, met inachtneming van de veiligheid voor personeel. Preliminaire resultaten tonen een vermindering in het gebruik van fixatie. Verder kwantitatief en kwalitatief onderzoek zijn nodig om deze data te bevestigen en meer evidentie in deze materie te ontwikkelen.

Dinsdag 18 september 2012, 16u00-17u30
S20  Internering!?
Martine De Moor
, projectmedewerker Similes, Heverlee

S20.0 Similes, families van geïnterneerden
Elke De Groote
, vormingsmedewerker, Similes, Drongen

Internering is geen straf maar een maatregel. Deze maatregel wordt opgelegd aan personen die een strafbaar feit pleegden en hiervoor ontoerekeningsvatbaar werden verklaard, gelet op de aanwezigheid van een psychiatrische problematiek en/of mentale beperking. Geïnterneerden worden dus niet schuldig bevonden en worden niet verantwoordelijk geacht voor hun daden.
Families waarvan één van de gezinsleden geïnterneerd is, voeren een verbeten strijd voor een menswaardige behandeling van hun gezinslid. De strijd is lang en hard en gezinnen worden wel eens moedeloos. Het is dan ook hartverscheurend om je gezinslid te bezoeken in de gevangenis, wetende dat hij/zij daar niet op zijn plaats zit en geen zorg op maat krijgt. Maar ook als je gezinslid wel de gepaste zorgen krijgt buiten de gevangenis, blijft het moeilijk.
Geïnterneerden verblijven niet alleen in gevangenissen, maar ook in sommige psychiatrische centra, VAPH-voorzieningen en andere zorgvormen.
Voor geïnterneerden is familie vaak de enige schakel met de wereld buiten de gevangenis. Familieleden proberen hun gezinslid nabij te zijn, hun steun en toeverlaat. Dit is niet steeds gemakkelijk, ook familieleden gaan gebukt onder het taboe. Hun gezinslid heeft niet alleen psychische problemen en/of een verstandelijke handicap, maar draagt hier bovenop de stempel van geïnterneerde.
Similes heeft aandacht voor deze gezinnen en vond een waardevolle samenwerking met Justitieel Welzijnswerk (Centrum Algemeen Welzijnswerk Gent), Centrum OBRA - Werking Ontgrendeld - gevangenis Gent, Forensisch zorgcircuit PC Sint-Jan Baptist Zelzate, Zorgteam Gent.

S20.1 Omdat ieder puzzelstukje belangrijk is!
Elke Verhaert, outreach manager, forensisch zorgcircuit, PC Sint-Jan Baptist, Zelzate

Soms horen we vertellen dat familieleden niet steeds hun medewerking verlenen aan de behandeling van de patiënt. Ook merkten we regelmatig dat familieleden niet steeds een correct en volledig beeld hebben over wat internering en een behandeling binnen een forensisch zorgcircuit inhoudt. Eveneens werden we bevangen door het gevoel dat we de familie nog onvoldoende informeerden en betrokken bij de behandeling van onze patiënten. Dit gaf ons voldoende grond om te stellen dat we meer aandacht willen schenken aan familieleden en initiatief moeten nemen om de samenwerking te bevorderen. Zo werd er in 2007 een onderzoek gevoerd dat uitmondde in een informatienamiddag specifiek voor de familieleden en later verdergezet werd onder de vorm van verschillende familiedagen. Ook werd er een duidelijke informatiefolder ontwikkeld en werd de dienst gezinsbegeleiding verder uitgebreid, specifiek voor onze forensische doelgroep.
Later werd er een samenwerkingsverband aangegaan met Similes, waardoor we ook buiten de muren van onze instelling de familieleden van geïnterneerden konden bereiken. Deze familieleden blijven nog al te vaak in de kou blijft staan met hun vragen, bezorgdheden,….
Graag nemen we U mee op weg door onze ervaringen in het werken met familieleden van geïnterneerden, met aandacht voor mogelijke uitdagingen in de toekomst. 

S20.2 Multidisciplinaire zorgequipes voor geïnterneerden
Frea Lauwaert, maatschappelijk assistente, zorgequipe internering, Gevangenis Gent

In België start een groot deel van de geïnterneerden hun interneringstraject in de gevangenissen. Daar wachten ze het moment af waarop een geschikte instelling (psychiatrisch ziekenhuis, VAHP-instelling, ambulante voorziening, forensisch zorgcircuit, …) bereid is hen op te nemen. De realiteit wijst echter uit dat veel geïnterneerden vele jaren in de gevangenis blijven, vaak met een gebrek aan correcte behandeling. Dit ontbreken van of tekort aan zorgverlening leidde reeds meerdere malen tot zware kritieken: in de literatuur en in de media. Ook academici en sommige magistraten brengen regelmatig het lot van de geïnterneerden onder de publieke aandacht.
Naar aanleiding van de Basiswet Gevangeniswezen en Rechtspositie van Gedetineerden (2005), die bepaalt dat elke gedetineerde recht heeft op aangepaste, gelijkwaardige gezondheidszorg zoals in de vrije samenleving, werden in de loop van 2007 multidisciplinaire zorgequipes opgericht in onder meer de psychiatrische afdelingen van de gevangenissen van Antwerpen, Leuven-Hulp, Merksplas, Turnhout, Brugge en Gent. Deze zorgequipes moeten instaan voor gepaste zorg, behandeling en pre-therapie voor de geïnterneerden in de gevangenissen.
We gaan in op deze zorgequipes en schetsen een beeld van de aanwezige zorg voor geïnterneerden in de detentie-context. We bespreken missie, doelstellingen, doelgroep, knelpunten en brengen kerncijfers van de geïnterneerdenpopulatie in de Belgische gevangenissen: psychiatrische ziektebeelden, …. We illustreren het concept van de zorgequipes met een beschrijving van de werking van de zorgequipe in de gevangenis te Gent. 

S20.3 Familiebetrokkenheid
Een familielid

Enkele jaren geleden vatte de sociaal-artistieke organisatie Victoria Deluxe het plan op om een documentaire te maken over “psychisch ziek zijn”. De documentaire wilde ook aandacht geven aan de problematiek van internering, nadat ze deze groep ontmoetten tijdens een theatervoorstelling in de gevangenis van Gent. De documentaire brengt vier in elkaar vervlochten verhalen die getuigen over het verlies en de vervreemding die het ziekteproces bij alle betrokkenen veroorzaakt.
Similes werd gecontacteerd om de familieleden die in deze documentaire getuigen, te coachen en te ondersteunen.
Eén van hen is Sammy, hij is broer van … en hij vertelt aan de hand van een animatiefilm zijn beleving van wat het betekent broertje te zijn van een grote broer die jammer genoeg psychisch ziek is geworden en jammer genoeg ook geïnterneerd is. Daarnaast laten we een moeder aan het woord, die vertelt over de moeilijke zoektocht van hun gezin naar gepaste hulp voor hun zoon en broer die ook geïnterneerd is. 

Woensdag 19 september 2012, 09u15-10u45
S21   Pijn bij het vrijen: state of-the-art
voorzitter Paul Enzlin

S21.0 Pijn bij het vrijen: what's in a name?
Paul Enzlin, pedagoog-seksuoloog, hoofddocent, Context - Centrum voor relatie, gezins- en sekstherapie, Leuven

In een korte inleiding wordt ingegaan op de nosologische discussie die heden rond pijn bij het vrijen wordt gevoerd. Op basis daarvan worden de bijdragen van de andere sprekers ingeleid.

S21.1 Pijn bij het vrijen: psychosociale determinanten
Els Pazmany
, seksuologe, onderzoeker, Instituut voor Familale en Seksuologische wetenschappen, Leuven

Deze bijdrage biedt een overzicht van het psychosociaal onderzoek dat tot op heden rond pijn bij het vrijen werd verricht. Immers, bij onderzoek naar dyspareunie is er vaker een sterk medisch/lichamelijke focus waarbij de psychosociale factoren minder aandacht krijgen. Aangezien één op de vijf vrouwen jonger dan 30 jaar regelmatig, vaak of altijd pijn bij het vrijen ervaart en er bij deze groep van vrouwen vaak geen medische verklaring voor de pijn kan worden aangetoond, wordt er in recent onderzoek meer aandacht gespendeerd aan psychologische en relationele factoren die het (herhaaldelijk) optreden van dyspareunie zouden kunnen beïnvloeden.
Tijdens deze presentatie worden zowel bevindingen uit de internationale literatuur als resultaten uit eigen onderzoek gepresenteerd.

S21.2 Pijn bij het vrijen en gehechtheid
Hilde Toelen
, psychologe, seksuologe, Context - Centrum voor relatie, gezins- en sekstherapie, Leuven

Gezien de standaardbehandeling, die cognitief gedragsmatig geïnspireerd is, niet voor elke vrouw/elk koppel een oplossing biedt, wordt in deze bijdrage het belang van het oog hebben voor systemische dynamieken binnen het koppel benadrukt. Er wordt vanuit een systemische invalshoek naar mogelijke verbanden tussen dyspareunie en gehechtheidtheorie gezocht. Daarnaast worden vanuit de gehechtheidtheorie, hypothesen over mogelijke functies van pijn bij het vrijen geformuleerd. Vervolgens wordt er stilgestaan bij hoe deze hypothesen en mogelijke functies in de praktijk kunnen worden getoetst en geïmplementeerd in functie van het tot stand brengen van een nieuwe dynamiek in het koppel waardoor het pijnprobleem eventueel kan worden opgelost.

S21.3 Pijn bij het vrijen: ervaringen met een groepsprogramma
Geertje Walravens
, maatschappelijke werkster, psychotherapeute, Context - Centrum voor relatie, gezins- en sekstherapie, Leuven

Omdat er in de behandeling van dyspareunie vaker veel aandacht gaat naar psycho-educatie en veel vrouwen zich met hun pijnprobleem alleen voelen, werd in navolging van buitenlandse voorbeelden een groepsprogramma ontwikkeld.
In deze bijdrage willen we enerzijds de inhoud van het programma kort toelichten en onze eerste ervaringen met het programma presenteren.

Woensdag 19 september 2012, 09u15-10u45
S22   Intensieve behandeling voor patiënten met een dubbele diagnose: schizofrenie en verslaving
voorzitter Roel De Cuyper

S22.0 Inleiding
Roel De Cuyper
, directeur, PC Gent-Sleidinge

Meer en meer patiënten vertonen zowel een probleem met psychoactieve stoffen als een ander psychiatrisch probleem, zonder dat zij daarvoor een zorgaanbod vinden dat aan hun behoeften voldoet, terwijl zij juist bijzonder kwetsbaar zijn.

S22.1 Effectiviteitonderzoek geïntegreerde behandeling
Nele De Witte
, onderzoeker, CAPRI, Universiteit Antwerpen

Uit deze vaststellingen is het pilootproject "Intensieve behandeling van patiënten met een dubbele diagnose" in 2002 van start gegaan. Twee eenheden van tien bedden werden gecreëerd (l'Intercommunale de Soins Spécialisés de Liège,  Psychiatrisch Centrum Sleidinge) om een intensieve behandeling aan deze patiënten te bieden. Het RIZIV financiert eveneens twee units (la Pièce asbl, De Sleutel vzw) die een geïntegreerde opname bieden voor patiënten met een dubbele diagnose. De wetenschappelijke onderbouw en evaluatie van dit project werd gewaarborgd door het CAPRI. Een studie werd uitgevoerd die de vergelijking maakte tussen een geïntegreerde en intensieve behandeling versus. een standaardopname. De geïntegreerde behandeling bleek minstens even effectief als de standaard behandeling. Dit onderzoek werd in 2011 gepubliceerd in European Addiction Research. Resultaten van deze studie worden in de presentatie toegelicht en getoetst aan de bevindingen uit studies die rondom dit onderwerp, schizofrenie en verslaving, de laatste twaalf maanden verschenen zijn.

S22.2 Audit dubbeldiagnose pilootprojecten: resultaten van het kwantitatief onderzoek
Maud De Venter
, onderzoeker, CAPRI / UZA, Universiteit Antwerpen

Aan de hand van een uitgebreid literatuuronderzoek wordt de problematiek en de behandeling van dubbele diagnose (dd) in kaart gebracht. Dd blijkt erg frequent voor te komen, hoewel er tot op heden geen cijfers zijn over de situatie in België. Dd zorgt ook voor een aanzienlijke lijdensdruk en hangt samen met verschillende negatieve outcomes. Er zijn reeds verschillende onderzoeken geweest naar een geïntegreerde behandeling van deze patiënten en het merendeel hiervan rapporteert positieve resultaten.
In 2011 werd een nieuwe studie opgestart in het kader van een structurele verankering van het dd-pilootproject. Deze studie beoogt het geven van aanbevelingen aan de overheid aangaande de zorg van patiënten met een dubbele diagnose, meer concreet patiënten met een middelenproblematiek en een psychose.
Deze bijdrage geeft een voorstelling van het gebruikte protocol bij deze audit waarbij een grondige analyse werd gedaan (i.c. met observaties) om een adequaat beeld te krijgen van de werking. Onder meer de volgende onderzoekstopics worden aangeraakt: multidisciplinair team, mate van geïntegreerdheid, casemanagement en outreaching, kosten, heroriënteringsvooruitzichten, verblijfsduur.

S22.3 Audit dubbeldiagnose pilootprojecten: resultaten van het kwalitatief onderzoek
Steve Sercu
, afdelingshoofd dienst dubbele diagnose, PC Broeders Alexianen Boechout 

Kwalitatieve onderzoeksmethoden winnen aan belang binnen psychiatrisch onderzoek. Deze bijdrage licht de methodologie en de resultaten van het kwalitatieve onderzoeksluik van dedd-audit toe.
Een kwalitatief onderzoek werd gedaan op basis van de grounded theory approach (Strauss & Corbin, 1997). Hierbij wordt niet vertrokken vanuit een vooraf bepaalde theorie die getoetst wordt, maar wordt vanuit de analyse van de afgenomen interviews een conceptueel kader uitgewerkt. De semi-gestructureerde interviews werden afgenomen bij personeelsleden en psychiaters die werkzaam zijn op de bezochte units en betrokken zijn in het beleid van de afdeling en/of outreachend werken. Het interview werd georganiseerd rond de volgende topics: personeel, aard en aanbod van huidige zorg, functie van wetenschappelijk onderzoek, impact nieuwe ontwikkelingen in geestelijke gezondheidszorg (artikel 107), samenwerking, hiaten en reflectie.

S22.4 Audit dubbeldiagnose pilootprojecten: resultaten van het kwalitatief onderzoek
Geert Dom
, psychiater, professor, PC Broeders Alexianen, Wilrijk

Op basis van het effectiviteitonderzoek en de resultaten van de audit worden aanbevelingen voor het beleid geformuleerd over de behandeling van dubbele diagnose-patiënten met een psychotische stoornis en middelenmisbruik. Deze aanbevelingen worden vergeleken met de organisatorische en inhoudelijke aspecten van de actuele behandelvoorzieningen voor deze patiënten in de ons omringende landen en afgezet tegen de internationale richtlijnen.

Woensdag 19 september 2012, 09u15-10u45
S23   “Stevige fundamenten voor lage muren” . Uitdagingen voor de residentiële setting in het veranderende zorglandschap
voorzitter Peter Joostens, beleidspsychiater, afdeling Prisma, PK Broeders Alexianen, Tienen

S23.0 Inleiding
Jill Hermans
, adjunct-directeur patientenzorg, PK Broeders Alexianen, Tienen

De geestelijke gezondheidszorg is in volle beweging. De herinrichting van de ggz volgens het gekende model heeft ook een belangrijke impact op de inrichting van het ziekenhuis en de organisatie en de daarmee gaande visie waarbij we tegemoet willen komen aan de vernieuwde zorgnoden van de cliënt.
Voor de medewerkers impliceert dit een belangrijke verandering. Zij zullen ingezet worden in andere samenwerkingsvormen, zullen nieuwe competenties moeten verwerven en mee evolueren naar de nieuwe visie.
In ons project willen wij tegemoet komen aan de verzuchtingen, onzekerheden die ontstaan in deze woelige tijden van verandering. Het project is erop gericht de nodige voorwaarden te creëren waardoor onze medewerkers op een actieve en betrokken manier kunnen, willen meewerken aan deze nieuwe opdracht.

S23.1 Van aanbodgestuurd naar vraaggestuurd werken
Peter Joostens,
beleidspsychiater, afdeling Prisma, PK Broeders Alexianen, Tienen

De ggz is in volle verandering met een beweging naar vraaggestuurd werken en transmuralisatie. Ook het psychiatrisch ziekenhuis Broeders Alexianen Tienen heeft hierin zijn weg moeten zoeken. Daarbij wordt onze eerder aanbodgestuurde zorg kritisch onder de loep genomen. We hebben geprobeerd het globale implementatietraject van vermaatschappelijking van zorg parallel te laten lopen met bestaande interne veranderingsprocessen. Hieraan wordt een kwaliteitsverbeteringproject rond communicatie gekoppeld.
Concreet hebben we met het team van de algemene psychiatrie een participatief geconcipiëerde denkdag georganiseerd rond de thema’s vermaatschappelijking en communicatie. Daarnaast hebben we een verwante denkdag ingericht samen met onze extramurale partnerorganisatie, het rehabilitatiecentrum Hestia, om de implicaties van deze zorgvernieuwing te vertalen in samenwerking en beleid. Tot slot hebben we rond zorgvernieuwing en communicatie een denk- en beleidsnamiddag vorm gegeven met een heterogene groep deelnemers afkomstig uit alle transversale zorg- en beleidsniveaus. Het is onze ervaring dat deze participatieve methodiek enthousiasmerend en implementatiebevorderend kan werken.

S23.2 Interne repercussies op transmuraal werken: nieuwe functies en methodieken
Leen Romme
, trajectcoördinator Prisma, PK Broeders Alexianen, Tienen

Om het residentiële terrein af te stemmen op de zorgvernieuwingen van artikel 107 heeft onze organisatie, zowel op structureel en inhoudelijk vlak, geïnvesteerd in nieuwe methodieken, overlegstructuren, competenties en brugfuncties. Zorgcoördinatie, patiëntenparticipatie, empowerment en externe zorgnetwerking werden centraal gesteld. Op beleidsmatig en hr–vlak werkten we zoveel mogelijk bottom-up met een streven naar transparante communicatie. Het personeel motiveren tot ze “er goesting in hebben” is de grote uitdaging in ons traject. Het zijn immers zij die moeten meebouwen aan deze fundamenten.
Wij willen u meenemen in ons verhaal, waar creatieve denk- en durfprocessen centraal staan en toelichting geven over de initiatieven die tot op heden werden gerealiseerd.
De nieuwe functie van trajectcoördinator, alsook de oprichting van het 107-coachingteam worden als concreet voorbeeld verder uitgediept. Het 107-coachingteam bestaat uit 2 ervaringsdeskundigen en 23 personeelsleden die zich engageren om samen een traject van één jaar te doorlopen, om de coach op hun afdeling te worden rond vermaatschappelijking van zorg. Het coachteam zal mee beleidsmatige input (bottom-up) geven. We zullen ons samen buigen over vragen als “Zijn er nieuwe noden in functies, in behandelprogramma's,...” en hoe spelen we in op deze nieuwe noden.
De uitdagingen die voortvloeiden uit gemeenschappelijke denk-en beleidsdagen en waaraan we vorm willen geven zijn onder andere: overkoepelende werkgroepen, gemeenschappelijke modules voor patiënten en cliënten intra- en extramuraal, anders inzetten van personele middelen (meer outreach), uitbouw van een intensievere en meer naadloze samenwerking met het rehabilitatiecentrum (functie 2b en 3), uitbouw transmuraal dossier, bed op recept, …

S23.3 Vermaatschappelijking: belang van psychosociale rehabilitatie 
Lies Van Kerschaver, arbeidstrajectbegeleider, PK Broeders Alexianen, Tienen

We trappen een open deur in wanneer we zeggen dat het hebben van een structuur, een zinvolle daginvulling voor mensen met psychische, psychiatrische problemen essentieel is. Een goed evenwicht vinden tussen inspanning en ontspanning in de domeinen wonen, werken, vrije tijd is belangrijk om stabiliteit te verkrijgen en te behouden.
Ons arbeidscentrum (ABC) werkt sinds 1996 met residentiële cliënten aan een re-integratieproces naar zinvolle dagbesteding. Deze zinvolle dagbesteding bestrijkt het gamma van vrijwilligerswerk tot betaalde tewerkstelling in een regulier bedrijf.
Artikel 107 zette de deuren van het ABC open voor externe cliënten met psychische problemen. Ook zij kunnen nu gebruik maken van de dienstverlening van arbeidsadvies en -begeleiding. Samen met beschut wonen Hestia werd een samenwerking opgezet om het concept Activering (NRZV, 2004) met de begrippen Arbeid, Vrije Tijd, Ontmoeting en Vorming, vorm te geven.
In deze bijdrage schetsen we het ruime kader van activering in de zorgregio Tienen, en focussen we op arbeid. Verder merken we dat de vermaatschappelijking van de zorg tot kortere opnames leidt. Dit betekent dat er nog efficiënter gewerkt moet worden. De knelpunten, waarmee de hulpverlener nu extra geconfronteerd wordt, willen we belichten. De specifieke aanpak via IPS (Individual Placement and Support) die gehanteerd wordt in de begeleidingstrajecten van cliënten, wordt met eigen cijfers uit de doeken gedaan.
Lagere muren zorgen voor activeringsopportuniteiten die ten goede komen aan de levenskwaliteit van mensen met psychische problemen. 

Woensdag 19 september 2012, 09u15-10u45
S24   Een cognitief-gedragstherapeutische behandelprogramma voor patiënten met een bipolaire aandoening
voorzitter Manuel Morrens

S24.0 Inleiding 
Manuel Morrens
, psychiater, Post-doc navorser, PC Broeders Alexianen, Boechout

Een bipolaire aandoening kenmerkt zich door affectieve (i.e. depressieve en (hypo)manische) symptomen en cognitieve afwijkingen (i.e. verstoringen in functies zoals aandacht, geheugen, planningsvermogen,…). Naast een goede psychofarmacologische behandeling van deze aandoening is de multidisciplinaire begeleiding van deze patiënten noodzakelijk om een opname tot een goed einde te brengen. Tot recent bestond er een algemeen-pessimistische houding tegenover het nut en mogelijke impact van cognitieve gedragstherapie bij bipolaire patiënten. Echter, de laatste jaren werden door internationale experts enkele behandelprogramma vanuit deze psychotherapeutische visie ontwikkeld, en werd het succes hiervan wetenschappelijk aangetoond. Vanuit deze cognitieve gedragstherapeutische modellen werd een behandelprogramma opgestart, gekoppeld aan een opname-afdeling met een open en een gesloten stuk, dat in dit symposium wordt toegelicht.

S24.1 Een residentieel cognitief-gedragstherapeutische behandelprogramma voor patiënten met een bipolaire aandoening: behandelmilieu en verpleegkundige begeleiding
Isabelle Duran
, verpleegkundige, diensthoofd, PC Broeders Alexianen, Boechout

In deze bijdrage komen de setting en het milieu van het behandelprogramma voor bipolaire stoornissen aan bod. Bovendien lichten we het algemene denkkader toe van waaruit de verschillende therapeutische modules aangeboden worden. De behandeling wordt aangeboden vanuit een algemeen-open afdeling. Dit in samenwerking met de gesloten opname-afdeling, wanneer zou blijken dat tijdens verloop van opname een gesloten deur tijdelijk nodig zou zijn.
Patiënten worden benaderd vanuit de zelfdeterminatietheorie (Deci & Ryan, 1985) om te komen tot een optimale functionering en groei van de patiënt. Interventies spelen in op de drie psychologische basisbehoeften van de mens, nl. autonomie, competentie en verbondenheid. Verder wordt de rol van de verpleegkundige, de ergotherapeut en psychomotorische therapeut in dit programma besproken.

S24.2 Een residentieel cognitief-gedragstherapeutische behandelprogramma voor patiënten met een bipolaire aandoening: psychotherapeutisch programma
Elien Mariën
, psychologe, PC Broeders Alexianen, Boechout

De bipolaire stoornis is een gecompliceerde, deels erfelijk bepaalde psychiatrische aandoening. Farmacotherapie neemt een vooraanstaande plaats in bij de behandeling en preventie van stemmingsepisoden. Recent is er steeds meer belangstelling in de psychologie van de aandoening en de psychotherapie die hieruit voortvloeit. Patiënten met een bipolaire stoornis ondervinden ernstige problemen op vlak van stemming, gedrag en cognitief functioneren. Op deze drie peilers berust het psychotherapieprogramma op onze afdeling. In een metacognitieve training worden patiënten aan de hand van oefeningen bewust van opvallende tendensen in cognitieve processen. Patiënten leren hoe ze hiermee rekening kunnen houden en op welke manier ze dit kunnen compenseren.
Aan de hand van Acceptance and Commitment Therapy worden patiënten groepsgewijs geleerd om te stoppen met vechten tegen hun emoties en gedachten. Er wordt gezocht naar een manier om een rijk en zinvol leven te leiden waarin er effectief wordt omgegaan met stemmingsschommelingen. Ten slotte wordt in een gedragstherapeutische groepstraining naast voorlichting en educatie de nadruk gelegd op het vroeg herkennen van een beginnende episode aan de hand van zelfmonitoring en zelfmanagementtechnieken.

S24.3 Een residentieel cognitief-gedragstherapeutische behandelprogramma voor patiënten met een bipolaire aandoening: maatschappelijk werk
Hanne Van Thielen
, maatschappelijk werker, PC Broeders Alexianen, Boechout

Patiënten met een bipolaire aandoening botsen vaak op heel wat sociale, financiële en/of juridische problemen, al dan niet uitgelokt door hun symptomatologie. Bij een opname in een psychiatrische instelling staan deze problemen vaak op de voorgrond en kunnen ze een cruciale rol spelen in de probleemsamenhang en kunnen ze eveneens de verdere behandeling en evolutie belemmeren. Het is de taak van de maatschappelijk werker om de problemen in deze domeinen aan te pakken. Binnen het kader van ons cognitief- gedragstherapeutisch behandelprogramma voor bipolaire stoornissen neemt de maatschappelijk werker de algemene taken waar. Daarnaast zullen er specifieke interventies uitgevoerd worden binnen een multidisciplinair kader. Het algemene takenpakket omvat het opstellen van een sociaal dossier, de patiënt helpen bij sociale, administratieve en/of familiale problemen en het mee voorbereiden van het ontslag. In vergelijking met sommige psychiatrische aandoeningen zien we vaak dat bij patiënten met een bipolair ziektebeeld de gedragingen, die leiden tot deze problemen, specifiek samenhangen met de affectieve episodes. Dit geldt zeker wanneer de manische symptomen aanwezig zijn. Daarom is het erg zinvol om de prodromen van deze episodes in kaart te brengen en de patiënt deze te leren herkennen.
De naaste familie hierin betrekken is ook van belang. Verder kan er samen met de patiënt een signalisatieplan opgesteld worden en kunnen enkele maatregelen genomen worden in het kader van deze prodromale fase om dezelfde problemen in de toekomst te voorkomen. Het signalisatieplan is een therapeutisch instrument dat zowel tijdens als na de behandeling een belangrijke leidraad vormt in de werking.

Woensdag 19 september 2012, 09u15-10u45
S25   Forensische psychiatrie in het UPC Sint-Kamillus Bierbeek, anno 2012 en nieuwe uitdagingen
voorzitter Rudy Verelst

S25.0 Inleiding
Rudy Verelst
, psychiater, doelgroep forensische psychiatrie, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

S25.1 De zorgvisie en het zorgtraject voor de doelgroep forensische psychiatrie in het UPC Sint-Kamillus Bierbeek
Rudy Reusens
, doelgroepcoördinator forensische psychiatrie, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

Om kwaliteitsvolle psychiatrische zorg te verstrekken aan een doelgroep cliënten is het belangrijk voor behandelteams om een duidelijke opdracht te formuleren in de vorm van een algemene zorgvisie of basisfilosofie.
In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van het algemene zorgplan met een beschrijving van de doelgroep forensische psychiatrie in het UPC Sint-Kamillus Bierbeek, de inclusie- en exclusiecriteria, de doelstellingen en de krachtlijnen van de forensisch-psychiatrische hulpverlening.
Er wordt ook ingezoomd op het forensisch zorgtraject zoals dat in 2012 vorm krijgt. De ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg zoals onder andere de verdere vermaatschappelijking van de zorg cfr. de toepassing van artikel 107, de verderzetting onder een andere vorm van de therapeutische projecten van het RIZIV, zullen ook de forensische hulpverlening beïnvloeden.
Daarbij worden een aantal nieuwe uitdagingen voor de toekomst geformuleerd.

S25.2 Rehabilitatie in de forensische psychiatrie, een schijnbare tegenstrijdigheid – een zicht op de visie van een forensisch-psychiatrische PVT
Steven Degrauwe
, therapeutisch coördinator forensische PVT, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

Het forensisch traject in het UPC Sint-Kamillus wil een verantwoorde opvang verlenen aan cliënten met een interneringsstatuut. De forensische PVT (het forensisch rehabilitatietehuis, FRT) vormt een deel van dit traject.
De opdracht van FRT is tweeledig: enerzijds is FRT een afdeling met lang verblijf, zonder vastgelegde einddatum. Anderzijds heeft FRT ook een resocialiserende opdracht.
Voor deze opdracht baseren we op de principes van rehabilitatie. De basishouding vertrekt vanuit een vertrouwen in de cliënt. Dit staat haaks op de ‘forensische’ opdracht: het beschermen van de maatschappij door controle en veiligheid. In een evenwaardige, open houding moet er echter plaats zijn om te refereren naar de gangbare normen.
Deze ‘forensische rehabilitatiebasis’ wordt binnengebracht in twee complementaire forensische modellen: het Good Lives Model (GLM) en het Risk-Need-Responsitivity-Model (RNR). Daar waar het RNR-model focust op het aanpakken van de risico’s, gaat het GLM zich concentreren op de kwaliteit van leven om zo het risico op delictrecidive te verminderen. De cliënt wordt vanuit een bio-psycho-sociale benadering aangesproken.
Vanuit de rehabilitatiegedachte vertrekken we in eerste instantie uit het GLM. Motivatie is daarbij een van de moeilijkste punten in het werken met geïnterneerden. Door het stellen van gemeenschappelijke doelen, trachten we de cliënt gemotiveerd te krijgen voor verdere behandeling. De grenzen waarbinnen dit zich afspeelt, worden grotendeels bepaald door de risicotaxatie en het risicomanagement (RNR). Wat werkt bij wie is hierin een belangrijke vraag.

S25.3 Het forensisch outreachteam van het UPC Sint-Kamillus Bierbeek
Thomas Marquant
, psychiater, doelgroep forensische psychiatrie, UPC Sint-Kamillus, Bierbeek

België telt ondertussen meer dan 4.000 geïnterneerden waarvan er nog steeds meer dan 1.000 in de gevangenis verblijven. Uitstroom uit de gevangenissen blijft moeilijk en verloopt hoofdzakelijk via algemene zorgvormen. Specifieke zorgvormen blijven voornamelijk beperkt tot residentiële settings (medium security) en lange verblijfssettings (forensische PVT). Specifiek forensisch-outreachend werken dringt zich ook binnen deze patiëntengroep op ter bevordering en uitbouw van succesvolle resocialisaties.
Naast de situering van de zorgvorm vanuit ideologisch standpunt wordt ingegaan op de opstart en uitbouw van forensisch-outreachend werken in UPC Sint-Kamillus Bierbeek, met aandacht voor de specificiteit van het forensisch aspect.

S25.4 De analyse van interneringsdossiers door de brugfunctie justitie - zorg
Annemie Deckers
, brugfunctie justitie-zorg, FOD Justitie - Centrale PSD, Brussel

Presentatie van de eerste bevindingen vanuit de brugfunctie tussen justitie en de gezondheidsvoorzieningen, aan de hand van een analyse van de interneringsdossiers behorende tot de bevoegdheid van de Commissie ter bescherming van de maatschappij van Antwerpen.
Vanuit deze onderzoeksbevindingen kunnen suggesties geformuleerd worden met het oog op de verdere uitbouw van de forensisch-psychiatrische voorzieningen in Vlaanderen.

Woensdag 19 september 2012, 09u15-10u45
S26   Psychologisch interveniëren bij psychiatrische urgenties en emotionele crises. De specifieke rol van de klinisch psycholoog
voorzitter Karine Van Tricht

S26.0 Urgentiepsychiatrie anno 2012
Karine Van Tricht
, klinisch psychologe, gezinstherapeute, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven
Ronny Bruffaerts, klinisch psycholoog, hoofddocent psychiatrie KU Leuven, onderzoeker, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven

In dit symposium schetsen we de uitdagingen die zich in de geestelijke gezondheidszorg anno 2012 stellen. Na de vermaatschappelijking van zorg volgt de discussie rond kosten en baten van mobiele psychiatrische teams die rechtstreeks in de thuissituatie interveniëren. EPSI (Eerste Psychiatrische Spoed Interventie) streeft ernaar netwerking en continuïteit van zorg centraal te stellen om alzo opnamevermijdend of –verkortend te werken. In deze verschuiving van het zorgproces lijkt evenwel een aantal specifieke functies en taken weggelegd voor de psycholoog, die in een urgente werking een andere articulatie krijgen dan doorgaans. Tegen deze achtergrond formuleren wij op basis van literatuur, onderzoeksgegevens en casuïstiek een antwoord op de vraag naar de specificiteit van de klinisch psycholoog in multidisciplinaire crisisteams. We focussen op vier klinische gebieden: 1. de plaats en functie van psychodiagnostiek in urgente settings en psychiatrische crises, 2. suïcidedreiging en kortdurende gezinsinterventies, 3. psychosociale zorgnoden in een multiculturele samenleving en 4. motiverende interventies bij middelengerelateerde problematieken.
Referentie
Bruffaerts, R., Vanderplasschen, W., Van Hal, G. & Demyttenaere, K. (red.). (2011).Crisisopvang voor middelengebruikers in België – La prise en charge de crise des assuétudes en Belgique. Gent, Academia Press

S26.1 Psychodiagnostiek in psychiatrische crises: (hoogst) noodzakelijk maar (beperkt) haalbaar?
Ronny Bruffaerts
, klinisch psycholoog, hoofddocent psychiatrie KU Leuven, onderzoeker, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven

Het psychodiagnostisch proces heeft als vanouds een specifieke plaats in de behandeling van de psychiatrische patiënt. Reeds vroeg in de geschiedenis van de psychiatrie werden systemen ontwikkeld die er primair op gericht waren symptomen en klinische indrukken te ordenen en onder te brengen in een specifieke classificatie van psychische stoornissen. Een diagnose is nog steeds een belangrijk antwoord op de vraag “Wat is er met onze patiënt aan de hand?”. In de vermaatschappelijking van de zorg wordt het kunnen bieden van een antwoord op deze vraag scherper, prangender maar vooral moeilijker: in tijden van crisis is het niet eenvoudig om een psychiatrisch statistisch classificatiesysteem (cfr. DSM) te gebruiken om een antwoord te bieden op de vraag wat er precies met de patiënt aan de hand is. In psychometrische termen heet het dan dat de DSM-diagnostiek valide noch betrouwbaar is als de patiënt in psychiatrische crisis verkeert. Dit betekent geenszins dat de diagnostiek an sich niet kan gebeuren in crisogene settings. Vanuit crisisontwikkelingsmodellen wordt immers sterk gewezen op de noodzaak van een goede (want essentiële) diagnostische assessment. De vermaatschappelijking van de zorg in het algemeen en de psychiatrische crisis in het bijzonder dwingen ons te denken over de plaats en de functie van het psychodiagnostisch proces in de behandeling van de crisis.
In deze presentatie hebben we het over de beperkingen maar ook de mogelijkheden om in psychiatrische crises aan diagnostiek te doen, maar ook over specifieke diagnostische tools die kunnen worden gebruikt in crises- en/of vermaatschappelijkte ggz-settings.
Referentie
Lewis, S. & Roberts, A. (2001). Crisis Assessment Tools: the Good, the Bad, and the Available. Brief Treatment and Crisis Intervention, 1, 17-28

S26.2 Urgente psychiatrie en suïcidedreiging: van impasse naar proces dankzij dialoog
Karine Van Tricht
, klinisch psychologe, gezinstherapeute, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven

We vertellen het verhaal van een 18-jarige suïcidale jongen die – vergezeld van zijn ouders – hulp zoekt via een psychiatrische spoedgevallendienst. We volgen het traject van aanmelding op spoed, over kortdurende crisisopname, follow-up, ambulante doorverwijzing tot en met de effectieve suïcide en de debriefing van team en nabestaanden.
Wanneer acute suïcidaliteit de gesprekskamer vult kan dat zowel voor betrokkenen als hulpverleners verlammend en processtagnerend werken. Hoewel de gezinstherapeut zich gevangen en in zijn mentale ruimte beperkt kan voelen, draagt deze impasse ook een kans tot groei en verandering in zich. Belangrijk is daarbij de cliënt en zijn omgeving als expert te beschouwen en hen blijvend aan te spreken op hun competentie en verantwoordelijkheid. Tegelijkertijd kan de therapeut zich afstemmen op zijn eigen innerlijke dialoog en interactionele barometer en door middel van metacommunicatieve feedback woorden geven aan de rauwe emoties en actietendensen die zich in de gesprekskamer aanwezig stellen.
Referentie
Van Tricht, K., Van den Broeck, U. & Rober, P. (2011). Suïcidedreiging bespreekbaar maken in gezinstherapie: Samenspel tussen de expertise van het cliëntsysteem enerzijds en de innerlijke dialoog en metacommunicatie van de therapeut anderzijds. Tijdschrift voor Psychotherapie, 6, 397-413

S26.3 Psychosociale zorgnoden in een multiculturele samenleving
Sunile Maes
, klinisch psychologe, Epsi-outreach, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven

EPSI benadert personen in crisis vanuit een belevingsgerichte en systeemtherapeutische visie. Wanneer wij cliënten van andere culturen ontmoeten volstaan deze kaders niet en zijn we genoodzaakt de culturele dimensie in beschouwing te nemen.
In deze bijdrage staan we kort stil bij ‘een gezond multiculturalisme’. We steunen hierbij op de filosofische visie van van Leeuwen (2003) waarbij de erkenning van verschil, interculturele identiteit en gelijkwaardigheid centraal staan. Daarnaast nemen we de antropologische bemerkingen mee dat we interculturele hulpverlening nauw moeten verbinden met de migratiegeschiedenis van de cliënt. Vanwaar komt de cliënt, wie was hij en wie is hij doorheen zijn reis hier en nu geworden? Vertrekkend van het werk van psychoanalytische antropologen Meurs & Gailly (1998), lichten we transculturele sleutelconcepten ‘culturele empathie, biculturaliteit en interculturele transitieruimte’ toe. Op die manier schetsen we een beeld van de manier waarop EPSI aanzet kan geven tot een vruchtbare interculturele ontmoeting.
Referenties
Van Leeuwen, B. (2003). Erkenning, identiteit en verschil. Multiculturalisme en leven met culturele diversiteit. Leuven, Acco
Meurs, P. & Gailly, A. (1998). Wortelen in andere aarde. Migrantengezinnen en hulpverleners ontmoeten cultuurverschil. Leuven, Acco
Rohlof, H., Groenberg, M. & Blom C. (red.) (1999).Vluchtelingen in de geestelijke gezondheidszorg. Handboek voor de hulpverlening. Utrecht, Pharos

S26.4 Motiverende en oplossingsgerichte interventies bij middelengerelateerde problemen in urgentiepsychiatrie
Tine Peeters
, klinisch psychologe, Epsi-outreach, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven

Motiverende gespreksvoering is een veelgebruikte gespreksstijl om cliënten te stimuleren tot gedragsverandering en het zoeken van hulp. Wanneer we crisis bekijken als een mogelijk kantelpunt met groeikansen, is het cruciaal dat we als hulpverlener ingaan op de aarzeling en ambivalentie bij de cliënt en zoeken naar een ingangspoort tot verandering. Motivatie groeit wanneer machteloosheid kan plaatsmaken voor een gevoel van controle.
De oplossingsgerichte therapie levert een belangrijk bijdrage om de cliënt terug het gevoel van controle te geven en vanuit zijn eigen kracht te zoeken naar haalbare doelen. Waar zitten de competenties van de patiënt? Hoe kan je deze aanspreken in een crisis? Wat kan je als hulpverlener in beperkte tijd doen om de cliënt te motiveren tot verandering? Op deze vragen zoeken we een antwoord aan de hand van het verhaal van een cliënt in crisis met een verslavingsproblematiek.

Woensdag 19 september 2012, 11u15-12u45
S27   ADHD en verslaving: Een stand van zaken
voorzitter Geert Bosma, psychiater, hoofdgeneesheer, PC Sint-Amandus, Beernem

S27.0 ADHD en verslaving: een besproken dubbeldiagnose
Geert Dom
, psychiater, professor, CAPRI, Universiteit Antwerpen
Geert Bosma, psychiater, hoofdgeneesheer, PC Sint-Amandus, Beernem

ADHD is een ontwikkelingsstoornis die bij een niet onaanzienlijk deel van de patiënten blijft bestaan in volwassenheid. ADHD wordt gerekend tot het spectrum van externaliserende psychiatrische stoornissen. Dit zowel op basis van haar symptomatische presentatie als wat betreft de onderliggende neurobiologische pathogenetische factoren. Kenmerkend is ook de hoge graad van co-morbiditeit met andere psychiatrische stoornissen. Vooral de relatie met verslaving vraagt een speciale aandacht. Inderdaad, ADHD op kinderleeftijd wordt beschouwd als een mogelijke risicofactor voor het ontstaan van verslaving op latere leeftijd. Daarnaast blijkt ook een behoorlijk deel van de patiënten met verslavingsproblemen op volwassen leeftijd te lijden aan ADHD.
In dit symposium worden recente inzichten gepresenteerd over de neurobiologie, prevalentie en behandeling van ADHD bij patiënten in behandeling voor verslavingsproblemen.

S27.1 Neurobiologische en neurocognitieve mechanismen onderliggend aan de relatie tussen ADHD en middelenproblematiek
Laura Stevens
, licentiaat psychologie, Universiteit Gent

Hoewel de frequente comorbiditeit van ADHD en Substance Use Disorders inmiddels goed gedocumenteerd is, blijft er heel wat onduidelijkheid over de specifieke mechanismen die deze link kunnen verklaren. We bespreken dan ook verschillende hypotheses die de welgekende associatie van beide condities kunnen verduidelijken. Meer specifiek beargumenteren we hoe verschillende neurobiologische en neurocognitieve factoren gerelateerd aan ADHD aanleiding kunnen geven tot de initiatie en continuatie van problematisch druggebruik en bovendien kunnen resulteren in een aanzienlijk risico voor vroegtijdige behandelingsdrop-out en herval. In overeenstemming met huidige neurobiologische theorieën van verslaving bespreken we de substantiële overlap tussen hersenregio’s verantwoordelijk voor de regulatie van impulscontrole, de belonende eigenschappen van drugs en geassocieerde stimuli en deze betrokken bij executieve top-down controle over meer limbisch-gestuurde, automatische bottom-up responsen.
We argumenteren dat individuen met ADHD, ten gevolge van dopaminerge dysfuncties, uitzonderlijk gevoelig zijn voor de neurobiologische en bekrachtigende effecten van verslavende producten. Bovendien kunnen structurele abnormaliteiten, een verminderde functionaliteit en connectiviteit in de prefrontale circuits kenmerkend voor ADHD een opening bieden waardoor de excessieve bottom-up drive voor drugs zichzelf kan manifesteren. Door problemen met cognitieve controle kunnen overheersende bottom-up neuronale responsen als reactie op de onmiddellijke belonende effecten van drugs niet onder controle worden gehouden, wat leidt tot een vermindering in doelgerichte, zelfgecoördineerde gedragingen ten voordele van meer automatisch, habitueel en geconditioneerd gedrag.

S27.2 Internationale prevalentiestudie over ADHD bij middelenmisbruik (IASP)
Sofie Verspreet
, klinisch psychologe, Broeders Alexianen, Boechout

De IASP-studie is een initiatief van de International Collaboration on ADHD and Substance Abuse (ICASA). Het doel van deze studie is het onderbouwen van de aanwezigheid van ADHD bij volwassenen in behandeling voor een verslavingsprobleem. Er wordt dieper ingegaan op de relatie tussen ADHD en begin en verloop van verslavingsproblemen, inclusief identificatie van genen. Daarnaast wordt er ook gekeken naar de accuraatheid van bepaalde instrumenten en de haalbaarheid van ADHD-onderzoek in het algemeen.
In België namen drie centra deel aan de screeningsprocedure met een interessante dataset tot gevolg.
De studie is gestart in 2009 en het eerste deel werd eind 2011 afgerond.

S27.3 Farmacotherapie van ADHD bij patiënten in behandeling voor verslaving
Geert Dom
, psychiater, professor, CAPRI, Universiteit Antwerpen, Wilrijk

De prevalentie van ADHD bij patiënten in behandeling voor verslavingsproblemen wordt als hoog geschat. Een vraag die vaak voorkomt is deze naar de zin of onzin van een (farmacologische) behandeling van ADHD parallel of geïntegreerd binnen de verslavingsbehandeling. Concreet gaat het meestal om de vraag naar het gebruik van stimulantia zoals rilatine. Onderzoeksresultaten tonen tot op heden tegenstrijdige bevindingen over het effect op zowel de ADHD-klachten als het uiteindelijke verloop van de verslavingsstoornis.
In de presentatie wordt een stand van zaken beschreven van behandeleffecten en ingegaan op een aantal belangrijke bijkomende vragen zoals het verslavingsrisico van de medicatie op zich en de vraag naar het langdurig voorschrijven van stimulantia bij patiënten met verslavingsproblemen.

Woensdag 19 september 2012, 11u15-12u45
S28   Identiteit en authenticiteit van de muziektherapeut en zijn/haar patiënt(en)
voorzitter Daisy Vaerewyck

S28.0 Inleiding
Daisy Varewyck
, muziektherapeute, PC Dr. Guislain, Gent

Men ervaart binnen sommige overdrachtsrelaties dat een eigen identiteit of authenticiteit een ware zoektocht kan zijn, zowel voor de patiënt, voor de groep, als voor de therapeut. Deze zoektocht kan verschillende vormen aannemen en de uitkomst ervan kan ertoe leiden dat een verandering optreedt binnen de relatie.
Tijdens dit symposium brengen drie muziektherapeuten een gevalsstudie uit hun eigen praktijk. Ze stellen elk de zoektocht naar een identiteit en een authenticiteit binnen het muziektherapeutisch proces centraal. Elke gevalsstudie wordt vanuit een theoretisch kader toegelicht.
Wat dit symposium zo specifiek maakt, is dat elke spreker een authentieke muzikale reflectie (d.i. een eigen gecomponeerd werk) zal geven ter inleiding bij zijn voordracht. Als kers op de taart zullen de drie sprekers zich gezamenlijk wagen aan een muzikale improvisatie. De input voor deze improvisatie wordt gegeven door het publiek. Zij mogen woorden, zinnen of emoties die hen het meest raakten tijdens de drie voordrachten kiezen. De drie muziektherapeuten zullen vervolgens de verbale suggesties eigen maken en er een muzikale identiteit rond vormen. Een identiteit die geënt is op de overdrachtsrelatie met het publiek.

S28.1 Het verlangen: een obstakel of een opportuniteit?
Daisy Varewyck
, muziektherapeute, PC Dr. Guislain, Gent

“Wij zullen ingrijpen en het overnemen, want ze is té ziek” zijn de woorden van Carla’s vader. Met deze woorden bedoelt hij dat zijn 46-jarige dochter - zoals steeds - niets kan of mag zeggen. Ze is immers te ziek en zal het nooit alleen kunnen.
Wanneer Carla naar de muziektherapie komt, voel ik meteen veel sympathie voor deze intelligente vrouw. Onbewust ontstaat het sterke verlangen dat Carla binnen de muziektherapie toch een eigen identiteit zou ontwikkelen. Haar muzikale spel is echter zo stil dat het nauwelijks hoorbaar is.
Naast mijn verlangen dat Carla als volwaardig subject zou kunnen fungeren binnen de groep, voel ik binnen de overdrachtsrelatie paradoxaal genoeg ook angst en overbezorgdheid. Klinkt de muziek niet te luid, komt Carla voldoende aan bod, wordt ze niet overspoeld door de muziek, ... De gebruikelijke speelsheid is weg, de humor afwezig, en Carla benader ik té voorzichtig. Mijn authenticiteit is ver zoek. Bovendien zie ik over het hoofd waarom de patiënte haar zoektocht naar een identiteit alleen wil doen of misschien wil ze net geen identiteit. Goede interventies blijven weg, het proces staat een hele tijd stil.
Hoe een verandering ontstaat in de overdrachtsrelatie en het proces opnieuw werkzaam wordt, hoe ik mijn authenticiteit terugvind en óf Carla haar identiteit vindt, werk ik in deze gevalsstudie verder uit. Hierbij baseer ik me op de theorie van Winnicott en Ferenczi.

S28.2 ‘Als de rook om je hoofd is verdwenen … Wat dan?’ – Afhankelijkheid, identiteit en authenticiteit in een muziektherapeutische relatie
Freya Drossaert
, muziektherapeute, APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas

In een muziektherapeutische setting laat de identiteit van personen met een afhankelijkheidsproblematiek op een zeer bijzondere wijze van zich horen. Binnen de therapeutische relatie die zich gaandeweg ontplooit tussen de actoren, resoneren voorrdurend de afhankelijkheid en de angst voor opheffing hiervan. Men heeft een eigen identiteit, maar wilt en durft men deze ook uiten?
Deze uiteenzetting presenteert hoe deze tweeledigheid zich vertaalt binnen de muzikale interacties van de groep, haar individuen en de muziektherapeut enerzijds, en hoe voor de muziektherapeut een imaginaire identiteit gecreëerd wordt in een overdrachtsrelatie die een katalysator kan zijn voor een voorzichtige verschuiving naar een meer vertrouwensvolle authenticiteit.
Dit is een proces waarin ook de muziektherapeut zelf zijn eigen afhankelijkheid dient te onderkennen, begrijpen en door dient te werken opdat de afhankelijkheidsrelatie die de therapeutische relatie tussen patiënt en therapeut strictu sensu is, van patiënt en therapeut zoveel als mogelijk zelfstandige en complementaire partners in het spel zou kunnen maken.

S28.3 Bezieling in muziektherapie. Authenticiteit vanuit een spirituele oriëntatie
Karen Andries
, muziektherapeute, PC Sint-Amedeus, Mortsel

Tijdens een zoektocht naar authenticiteit ontdekt de muziektherapeut een veranderend bewustzijn. Dit ontwaken van nieuwe inzichten, van datgene wat zowel haar als haar patiënt “bezielt”, is voor haar een uitnodiging tot verder onderzoek. In deze bijdrage onthult ze hoe ze vanuit spirituele invalshoek wordt geïnspireerd en welke band er bestaat tussen muziektherapie en spiritualiteit. Haar oog viel op het boek “Tijd voor de ziel” van Mia Leijssen, waarin een spiritueel georiënteerde psychotherapie beschreven wordt. Vanuit dit perspectief deelt ze met u enkele praktijkervaringen binnen een muziektherapeutische setting.
Ze staat stil bij wat werkelijk ‘waarde’ heeft voor de muziektherapeut en voor de patiënt om alzo authenticiteit na te streven en nieuwe wegen te openen. Wat stimuleert de patiënt in zijn ontdekkingsreis naar levensvervulling? Welke bijdrage heeft de muziektherapeut? Welke plaats krijgt een gedeelde muzikale en spirituele ervaring in het vinden van eigen “bezieling”? Waakzaam zijn voor wat de muziek openbaart in het huidige moment en innerlijke reflectie functioneren hier als sleutels voor het openen van hart en ziel…
Referentie
Leijssen, M. (2007). Tijd voor de ziel. Tielt, Lannoo 

Woensdag 19 september 2012, 11u15-12u45
S29   ‘Beter worden doe je thuis … in Leuven-Tervuren. Anderhalf jaar 107-project op weg naar vermaatschappelijking van zorg’
voorzitters
Guido Pieters, netwerkcoördinator, UPC KULeuven campus Kortenberg
Dirk Nissen, netwerkcoördinator, Walden vzw, Bierbeek  

In het eerste erkende 107-project werd sind januari 2011, worstelend met de remmende voorsprong, een hele weg afgelegd in de realisatie van de drie pijlers van vermaatschappelijkte zorg.
In dit symposium kijken we na anderhalf jaar terug op het proces en de realisaties van het project. Het symposium wil een moment van reflectie zijn, waarbij we alle betrokkenen aan het woord laten. Daarbij maken we een SWOT-analyse, die hopelijk inspiratie biedt om verder te gaan naar een vermaatschappelijkte, herstelgerichte ggz.

S29.0 De netwerkcoördinator: a man for all seasons?
Guido Pieters
, netwerkcoördinator, UPC KULeuven campus Kortenberg

We vertrekken vanuit onze ervaring met deze duobaan. De moeizame weg naar een landing in het organigram. Knecht van vele meesters, (drie)dubbelagent? We benadrukken het belang van het eigen leerproces, in projectmatig werken, communicatieplan en conflictbeheersing. De omgang met interne en externe weerstanden, de valkuilen en de hoera-momenten.

S29.1 Werken in mobiele teams
Mathias Dekeyser
, teamleider mobiel team GGZ Leuven, Oudebaan   
Kaat Ghyselen
,  teamleider mobiel team GGZ Leuven, Minderbroederstraat 
Tom Prenen, teamleider mobiel crisisteam, Leuven

De uitbouw van mobiele teams verliep niet altijd van een leien dakje. De opbouw en vorming van drie teams wordt geïllustreerd aan de hand van een aantal casussen. Hoe krijgen evidence-based interventies en organisatievormen hun plaats in de Vlaams-Brabantse context? Welke concrete problemen werden ondervonden, m.b.t. veiligheid, beroepsgeheim, communicatie en samenwerking in zorgnetwerken? Wat betekent ‘aanklampende zorg’ concreet, en hoe maak je ROM zinvol?

S29.2 En wat met de andere zorgfuncties?
Dirk Nissen, netwerkcoördinator, Walden vzw, Bierbeek  

Naast de uitbouw van mobiele teams werden andere functies uitgebouwd en afgestemd. Ondersteuning van de eerste lijn, rehabilitatie op vlak van wonen en werken, ontmoeting en nieuwe rollen voor de intramurale zorg. Hoe blijf je door het bos de bomen zien, en vice-versa? Hoe wordt verscheidenheid rijkdom en waar werken verschillen in visie verlammend?

S29.3 Netwerken bekeken vanuit de eerste lijn
Sylvia Hubar,
projectmedewerker geestelijke gezondheid en WGC De Ridderbuurt, Leuven 
Filip Abts, v
ertegenwoordiger DENK en Patiënt In Beeld

Na de voorbereiding van het project, en na anderhalf jaar actieve betrokkenheid in beleidsvergaderingen en projectgroepen; na de inzet in overleg over zorgplannen en communicatiemomenten wordt het tijd om de vruchten van de samenwerking te bekijken. Waar maakt het voor patiënten en hulpverleners echt verschil? Wat kan nog gerealiseerd worden, en welke beloften en verwachtingen werden niet beantwoord?

S29.4 Herstelgerichte zorg, en nu concreet
Hilde Vanderlinden
, maatschappelijk werker, projectmedewerker participatie, Similes, Heverlee
Dries Vanwynsberghe, vertegenwoordiger UilenSpiegel regio Leuven

Vertegenwoordigers van gebruikersbewegingen werden – geleidelijk aan – ingeschakeld in uitbouw van het project. Hoe evalueren zij de zinvolheid van de grote inspanning die ze met beperkte mankracht hebben uitgevoerd? Was het de moeite waard, of bleef het bij een symbolische, alibi-betrokkenheid? Welke verwachtingen koesteren ze nog?

Woensdag 19 september 2012, 11u15-12u45
S30   Goede praktijken in de zorg voor suïcidepogers
voorzitter Cornelis van Heeringen

S30.0 Inleiding
Cornelis van Heeringen
psychiater, professor, voorzitter vakgroep psychiatrie en medische psychologie / directeur Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, Universiteit Gent

‘Organiseer de zorg voor elke suïcidepoger alsof de volgende poging fataal zal zijn’, dit is het credo van de American Association of Suicidology. Hoe bekijken we dit in Vlaanderen?
Het Project Integrale Zorg Suïcidepogers, dat kadert in het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie, promoot goede praktijken t.a.v. deze hoogrisiciogroep op suïcide.
De doelgroep wordt medisch zichtbaar door de zorgvraag op de spoedgevallendienst van een algemeen ziekenhuis (az). Het is vaak daar dat een zorgpad wordt opgestart. De psychosociale evaluatie van risico en zorgbehoeften en het toeleiden naar vervolgzorg gebeurt best via een gestandaardiseerde procedure. Een zorgpad wordt uitgetekend waarbinnen het Instrument voor Psychosociale Opvang en Evaluatie (IPEO) wordt geïntegreerd. De registratiestudie van de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, op basis van de data die aangeleverd worden door het IPEO, geeft waardevolle informatie over kenmerken van Vlaamse suïcidepogers, hun zorgbehoeften en het zorgpad dat wordt opgestart.
De opvang van jonge suïcidepogers en hun ouders in een az vergt specifieke deskundigheid. Bovendien blijkt dat de suïcidepoging bij jongere patiënten, gezien het geringe letsel, vaak niet leidt tot een opname in een az en verborgen blijft voor hulpverleners en volwassenen die hen zouden kunnen helpen. Middels een pilootproject werd in 2011 onderzocht hoe deze groep kan gedetecteerd worden, goed opgevangen en een zorgpad opgestart. Het KIPEO, een aangepast instrument, werd ontwikkeld en uitgetest. Gezien de positieve evaluatie wordt het project jonge suïcidepogers momenteel uitgerold over gans Vlaanderen.
De gepresenteerde initiatieven gebeuren allen met steun en/of in opdracht van het Vlaams Ministerie voor Welzijn, Gezondheid en het Gezin.

S30.1 De epidemiologie van suïcidepogingen in Vlaanderen
Gwendolyn Portzky
, klinisch psycholoog PHD psychotherapeut centrum voor eetstoornissen, coördinator Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, Universiteit Gent
Cornelis van Heeringen, psychiater, professor, voorzitter vakgroep psychiatrie en medische psychologie / directeur Eenheid voor Zelfmoordonderzoek, Universiteit Gent

In opdracht van de Vlaamse Regering, Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, wordt sinds 1998 jaarlijks het aantal suïcidepogingen en de kenmerken van de suïcidepogers geregistreerd op de spoedopnamedienst van een aantal Vlaamse ziekenhuizen. Sinds 2007 werd deze registratie van suïcidepogingen gevoelig uitgebreid in het kader van het Vlaams Actieplan Suïcidepreventie. De gegevens die bevraagd worden aan de hand van het Instrument voor Psychosociale Evaluatie en Opvang van suïcidepogers (IPEO), dat ontwikkeld werd om de organisatie van het zorgproces na een suïcidepoging te ondersteunen, worden ook gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek. Op die manier worden naast epidemiologische gegevens, ook data in verband met het suïcidaal proces en de psychiatrische voorgeschiedenis van de patiënten, de voornaamste problemen die zij rapporteren, hun suïcidale intentie, de motieven die zij aangeven voor de poging, en het uiteindelijke behandelplan na het ontslag op de spoedopname, geanalyseerd en geïnterpreteerd.
Deze gegevens worden tijdens de uiteenzetting gepresenteerd.

S30.2 Zorgcontinuïteit bij suïcidepogers: een uitdaging voor alle schakels in de keten
Rita Vanhove
, psycholoog, psychotherapeut, coördinator pizs, cgg suïcidepreventiewerker, DAGG Lommel

Ketenzorg behelst dat de cruciale partners in de keten worden geïdentificeerd, de taken wel omschreven en de zorgprocessen naadloos bij elkaar aansluiten. De algemene ziekenhuizen (az) zijn een belangrijke schakel. Wat zijn de taken van de spoedopvang, van de liaisonpsychiatrie en de psychiatrische afdelingen? Wat zijn effectieve strategieën in het engageren van patiënten in zorg? De psychiatrische urgentie-equipes in het kader van de zorgvernieuwingsprojecten vormen tevens een cruciale schakel, zeker in het kader van de outreachende functie ervan. 44 az's in Vlaanderen implementeren de materialen en strategieën die deel uit maken van het Project Integrale Zorg Suïcidepogers. 34 az werkten mee aan een evaluatieronde in 2010-2011.
De belangrijkste resultaten worden gepresenteerd met specifieke aandacht voor de knelpunten en mogelijke oplossingen. Een psycho-educatieve patiëntenfolder wordt kritisch onder de loupe genomen.

S30.3 Jonge suïcidepogers: een vaak verborgen en miskende risiscogroep
Eva De Jaegere,
psycholoog, psychotherapeut, onderzoekster EZO, Universiteit Gent
Marie Van Broekhoven, cgg suïcidepreventiewerker, DAGG Lommel

Ook voor jonge suïcidepogers (-18 jaar) behelst ketenzorg de identificatie van de cruciale partners in de keten, met welomschreven taken en naadloos bij elkaar aansluitende zorgprocessen. Voor jongeren start het zorgpad echter vaak niet op een spoedafdeling van een algemeen ziekenhuis (slechts 8,5%), bovendien komen jongeren slechts in geringe mate terecht in de hulpverlening (een op vijf).
Een Instrument voor Psychosociale Evaluatie en Opvang van jongeren en hun ouders (K-IPEO) werd ontwikkeld door de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek en uitgetest in een pilootproject in 2011 door DAGG.
Conclusies uit het pilootproject voor jonge suïcidepogers worden gepresenteerd en leveren aanwijzingen op voor detectie en goede opvang van deze doelgroep.

Woensdag 19 september 2012, 11u15-12u45
S31   Psychofarmaca in liaisonpsychiatrie: capita selecta
voorzitter Filip Van Den Eede

S31.0 Inleiding en werkwijze
Filip Van Den Eede
, professor, medisch coördinator dienst psychiatrie UZA, CAPRI, Universiteit Antwerpen

De liaisonpsychiatrie vormt bij uitstek een werkveld waarin zorgrelaties in voortdurende verandering zijn. Op farmacologisch vlak is het een complexe discipline, waarbij rekening dient gehouden te worden met de somatische comorbiditeit, de polyfarmacie en de gepaard gaande farmacokinetische en –dynamische interacties. De behandelrichtlijnen kunnen vaak slechts als achtergrond gehanteerd worden. Ze dienen meestal gecombineerd te worden met klinische ervaring en met aanvullende gegevens over de medicamenteuze preparaten, en steeds op maat van de individuele patiënt.
In dit interactief symposium worden vier capita selecta besproken: het gebruik van antidepressiva tijdens de zwangerschap en de lactatie, het risico op bloedingen bij antidepressiva, het gebruik van antipsychotica bij somatoforme stoornissen en tot slot het gebruik van antidepressiva in de transplantatiegeneeskunde. De bestaande evidence wordt telkens toegelicht aan de hand van een korte presentatie, die afgesloten wordt met enkele open vragen aan het publiek. Na elke presentatieis er tijd voor vragen en bedenkingen, uitwisseling van ervaringenen discussie.

S31.1 Antidepressiva tijdens de zwangerschap en de lactatie
Joris Vandenberghe
, psychiater, professor, UPC KULeuven campus Gasthuisberg / cgg Vlaams-Brabant Oost, Leuven

De behandeling van depressie tijdens zwangerschap en lactatie is bijvoorkeur niet-farmacologisch. Niet-farmacologische behandeling volstaat echter niet altijd en soms is er een sterke indicatie voor farmacotherapie. Volgens het gezamenlijke beslismodel maken patiënt, partner en arts volgende moeilijke afweging. Wat zijn de risico's van de onbehandelde depressie op de patiënt en op embryo, foetus of baby? Wat zijn de mogelijke baten en risico's van de psychofarmaca op de patiënten op embryo, foetus of baby?
We bespreken de risico's van enerzijds maternele depressie en anderzijds materneel psychofarmaca gebruik tijdens de zwangerschap met betrekking tot spontane abortus, vroeggeboorte, congenitale malformaties, intra-uteriene groeivertraging, neonatale adaptatieproblemen, pulmonale hypertensie, psychomotoreontwikkeling en risico op latere psychologische of psychiatrische problemen.
We besluiten dat volgens de huidige wetenschappelijke kennis multidisciplinair begeleid gebruik van zorgvuldig geselecteerde psychofarmaca tijdens zwangerschap en lactatie verantwoord kan zijn in duidelijke indicaties waarvoor niet-farmacologische behandelingen tekortschieten of niet aangewezen zijn, op voorwaarde dat de uitgebreid geïnformeerde patiënte met haar arts en partner inschat dat de mogelijke baten van behandeling opwegen tegen de mogelijke risico's. Het gebruik van psychofarmaca moet altijd ingebed zijn in een systematische zwangerschapsopvolging en -counseling (bv. belang van foliumzuur, rook-en alcoholstop) en multidisciplinaire afstemming. Tot slot zal de keuze van het psychofarmacon gebaseerd zijn op de recentste wetenschappelijke bevindingen omdat de kennis en gegevens in dit domein snel evolueren en nieuwe bevindingen belangrijke klinische gevolgen hebben.
Referentie
Payne, J.L. & Meltzer-Brody, S. (2009). Antidepressant use during pregnancy: current controversies and treatment strategies. Clin Obstet Gynecol, 52, 3, 469-482

S31.2 Risico op bloedingen bij antidepressiva
Mehmet Küçücaycan
, dr., UPC PZ Sint-Norbertus, Duffel

Antidepressiva kunnen in theorie door blokkade van de serotoninetransporter in bloedplaatjes aanleiding geven tot een verhoogd risico op bloedingen. De grootte van dit bloedingrisico en de klinische betekenis ervan zijn echter onduidelijk. In deze presentatie wordt aan de hand van een uitgebreide literatuurstudie getracht om een concreet antwoord te formuleren op deze vraagstelling, met aanbevelingen voor de klinische praktijk.
Referentie
Küçücaycan, M., Van Den Eede, F., Moreels, T. & Sabbe, B. (2011). Antidepressiva en risico op bloedingen: een literatuuroverzicht. Tijdschrift voor Psychiatrie, accepted

S31.3 Het gebruik van antipsychotica bij somatoforme stoornissen
Filip Van Den Eede
, professor, medisch coördinator dienst psychiatrie UZA,  CAPRI, Universiteit Antwerpen

Antipsychotica worden regelmatig voorgeschreven bij niet-psychotische stoornissen, zoals somatoforme stoornissen. Maar wat is de evidence hieromtrent? In deze presentatie wordt een recent systematisch literatuuronderzoek overdit onderwerp voorgesteld, met aandacht voor de methodologische aspectenen de conceptuele valkuilen. Er wordt vervolgens een overzichtgeboden van de resultaten per groep van stoornissen. Tot slot volgt eenkritische bespreking van de bevindingen en van de implicaties voor deklinische praktijk.
Referentie
Decoutere, L., Van Den Eede, F., Moorkens, G. & Sabbe B. (2011). Gebruik van antipsychotica bij somatoforme stoornissen; een literatuuroverzicht. Tijdschrift voor Psychiatrie, 53,3, 163-173

S31.4 Antidepressiva in de transplantatiegeneeskunde
Caroline Vekemans
, arts, psychiater in opleiding, UZA

Patiënten met een orgaantransplant vormen een bijzondere groep in de liaisonpsychiatrie. In deze presentatie wordt  stilgestaan bij enkele aandachtspunten in de beslisboom voor het gebruik van antidepressiva na transplantatie. De specifieke medicaties die deze patiënten innemen, de betreffende bijwerkingen en niet in het minst ook het vaak al lang aanslepende ziekteproces brengen immers een aantal bijzonderheden met zich mee in het beslissingsproces.
Referentie
Kim, J., Phongsamran, P. & Park, S. (2004). Use of antidepressant drugs in transplant recipients. Progress in Transplantation, 14, 2, 98-104

Woensdag 19 september 2012, 11u15-12u45
S32   De psychiater-psychotherapeut: binnen, op en buiten de muren (van het ziekenhuis)
voorzitter Wolf Spanoghe

S32.0 Inleiding
Wolf Spanoghe
, psychiater, hoofdgeneesheer, voorzitter sectie psychotherapie VVP, PTC Rustenburg, Brugge

Welke meerwaarde kan de sectie psychotherapie van de VVP aan de patiënt, de collega’s en aan de psychotherapeutische verenigingen bieden in de 21e eeuw? Een stuk van deze zoektocht heeft zich vertaald in dit symposium waarbij het pad van het klassieke praten en denken over ‘de’ psychotherapie wordt verlaten. De psychiater-psychotherapeut heeft vaak de positie van behandelaar en van teamleider. Hoe de psychiater in relatie tot zijn psychotherapeutische identiteit invulling geeft aan de psychiatrisch- en psychotherapeutische praktijk binnen, buiten en zelfs op de muren van de ggz. Dit vormt het onderwerp van dit symposium. De bijdragen weerspiegelen de zoektocht in dat veld.
Er is een klinisch wetenschappelijke bijdrage over de toenemend transmuraal-georganiseerde zorg en wat de psychotherapeutische meerwaarde daarvan zou kunnen zijn voor psychotische patiënten. Er is een beleidspsychiatrische bijdrage over hoe klinische psychotherapie, doorgetrokken naar het beheer van de afdeling en/of het ziekenhuis,de behandeling van de opgenomen patiënt kan intensifiëren. Tot slot is er een kritisch wetenschappelijke bijdrage rond een aantal als vanzelfsprekend aangenomen zaken rond het hoe, met wie en het wanneer van psychotherapie. Ze hebben het open einde als gemeenschappelijk kenmerk. Een open einde waar we graag het gesprek over aangaan met het publiek.

S32.1 Van intramurale naar transmurale werking in de psychosezorg
Ludi Van Bouwel
, psychiater-psychotherapeut, UPC KULeuven campus Kortenberg

Het jarenlange intramuraal psychotherapeutische werk met jongvolwassenen met een psychose botst op een aantal moeilijkheden waardoor de idee ontstond meer op een ambulante en transmurale manier het aanbod voor deze doelgroep te herorganiseren. In deze bijdrage wordt de nieuwe werking toegelicht waarbij het accent ligt op integratieve zorg, die op een laagdrempelige wijze zo veel mogelijk in het natuurlijk milieu van de psychotische patient aan de jong volwassene en zijn familie wordt aangeboden. Psychotherapie volgens ‘need adapted treatment’ (Alanen), een ‘open dialogue model’ (Seikkula) en een ‘parachutemodel’ (Cullberg) staat hierin centraal. Deze stap van intramurale naar extra- en transmurale werking biedt een aantal mogelijkheden die in de bijdrage worden uitgewerkt. Verder onderzoek in de toekomst zal moeten uitwijzen of deze herorganisatie van de zorg in de psychosebehandeling op psychotherapeutisch vlak een meerwaarde betekent voor de psychotische patiënt en zijn familie.
Referenties
Cullberg, J. et al. (2006).Treatment costs and clinical outcome for First episode schizophrenia patients: a three-year follow-up of the Swedish ‘Parachute Project’ and two comparison groups. Acta Psychiatr Scand, 114, 274-281
Seikkula, J. et al. (2006). 5 years experience of first episodes non-affective psychosis in Open Dialogues Approach: Treatment principles, follow-up outcomes and two cases analyses. Psychotherapy Resn, 16, 214-228

S32.2 Psychotherapie binnen de muren
Wolf Spanoghe
, psychiater, hoofdgeneesheer, voorzitter sectie psychotherapie VVP, PTC Rustenburg, Brugge

Klinische psychotherapie houdt meer in dan het psychotherapie doen op een afdeling. Het is psychotherapie doen met een afdeling. Het ‘product’ van een klinisch psychotherapeutische behandeleenheid is een bepaalde wisselwerking tussen patiënten (onderling), het behandelteam en zijn individuele leden die in een zeker therapeutisch effect resulteert. Deze wisselwerking vindt plaats binnen een doorgesproken behandelmodel dat vertrekt vanuit de aard van de problematiek en de (on)mogelijkheden van de patiënten. Het regelen van deze wisselwerking is gericht op het bewaken van de kwaliteit ervan in relatie tot het behandeldoel van het therapeutische milieu. Het in stand houden van een coherente samenwerking tussen de teamleden en de disciplines waarvoor ze staan is iets dat zich niet laat afdwingen. Het is een deskundig te sturen, dynamisch en creatief proces. Het vergt leiderschap dat (meestal) in de handen van psychiater / psychotherapeut ligt. Gezien het gedrag, het affect en het denken van de mens ook afhangt van contextuele factoren dienen deze in rekening worden gebracht. Ze dienen gekoppeld aan het therapeutische model om congruentie te bereiken tussen de aangeboden behandeling en de realiteit op de afdeling. Dit is van belang willen we de slagkracht van psychotherapie op een behandeleenheid groter maken dan dat van de ambulante psychotherapie.

S32.3 Psychotherapie op de muur?
Gilbert Lemmens
, psychiater, psychotherapeut, kliniekhoofd, Universitaire Dienst Psychiatrie UZ Gent

Binnen het veld van de psychotherapie hebben de laatste jaren heel wat evoluties plaatsgevonden. Empirische ondersteunde, specialistische, integratieve en add-on therapieën zijn maar enkele voorbeelden hiervan. Het is soms erg verwarrend waar psychotherapie nu eigenlijk voor staat en nog vreemder waar ze naartoe gaat. Daarbij komt nog dat psychotherapie zeer gevarieerd in kwaliteit en kwantiteit wordt toegepast op de werkvloer. Het noopt tot een kritische reflectie over de waarde en de beperkingen van psychotherapie, over hoe, wanneer en waar en bij wie en onder welke vorm ze best wordt toegepast. Hierbij wordt ‘out of the box’ gedacht en het spoor van de traditionele psychotherapierichtingen gedeeltelijk verlaten.

Woensdag 19 september 2012, 13u45-15u15
S33   Psychomotorische symptomen bij schizofrenie: een veelzijdig syndroom
voorzitter Manuel Morrens

S33.1 Het verband tussen de verschillende motorische symptoomgroepen vanschizofrenie en hun relatie met negatieve en depressieve symptomen
Manuel Morrens
, psychiater, post-doc navorser, CAPRI, Universiteit Antwerpen

Schizofrenie is een aandoening die naast positieve, negatieve en cognitieve symptomen ook gekenmerkt wordt door motorische symptomatologie. Hoewel er een verminderde aandacht bestond voor deze klachten sedert de introductie van de antipsychotica, is het tij de laatste tien jaar gekeerd en is er zowel vanuit de klinische als vanuit de onderzoekswereld een hernieuwde interesse voor deze motorische afwijkingen op te merken. Hedendaags worden volgende symptoomclusters weerhouden: katatonie, neurological soft signs (o.a. verstoringen in motorische coordinatie en sequentie), psychomotorische vertraging en extrapiramidale symptomen. Bij een grote groep patiënten met schizofrenie onderzochten we wat de relatie tussen deze verschillende motorische symptoomgroepen is, alsook hoe zij zich verhouden ten opzichte van positieve en cognitieve symptomen. De impact van negatieve en depressieve symptomen bij schizofrenie op deze motorische verstoringen werd eveneens onderzocht.Tenslotte kijken we ook naar hoe deze motorische symptoomcluster evolueert doorheen de tijd.

S33.2 Neurale correlaten van psychomotorisch functioneren bij schizofrenie
Lise Docx
, psycholoog, doctoraatsstudente, CAPRI, Universiteit Antwerpen

Psychomotorische verstoringen komen frequent voor bij schizofrene patiënten. Hoewel erin de moderne literatuur vaak vanuit wordt gegaan dat deze verstoringen het gevolg zijn van het gebruik van antipsychotische medicatie, tonen prospectief onderzoek en studies bij medicatie-naïeve patiënten aan dat het gaat om intrinsieke kenmerken van het schizofrene ziekteproces. De hypothese wordt geformuleerd dat een verstoring in de cortico-subcorticale connectiviteit aan de basis ligt van deze symptomen. Diffusion Tensor Imaging (DTI) is een moderne MRI-techniekdie toelaat de integriteit van de witte stof in de hersenen te kwantificeren.
In de huidige studie werd DTI dan ook toegepast om de relatie tussen anatomische hersenconnectiviteit en psychomotorisch functioneren in vivo te onderzoeken. Hiervoor werd bij 20 patiënten meteen DSM-IV-TR diagnose schizofrenie of schizoaffectieve stoornis tussende 18 en 45 jaar een uitgebreide testbatterij afgenomen, bestaande uit neurologische en psychiatrische observatieschalen en psychomotorische taken. Daarnaast werd bij iedereen een DTI-scan afgenomen.
De eerste resultaten van deze studie worden gepresenteerd en besproken.

S33.3 Het effect van nicotine op cognitief en psychomotorisch functioneren bij rokende en niet-rokende patiënten met schizofrenie en jonge en oude gezonde vrijwilligers
Charel Quisenaerts
, arts-assistent in opleiding, doctoraatsstudent, CAPRI, Universiteit Antwerpen

Huidige medicamenteuze strategieën voor schizofrenie werken hoofdzakelijk in op positieve symptomen, echter cognitieve symptomen blijven grotendeels onbehandeld. Nochtans bepalen deze, meer dan de aanwezigheid van of de ernst van positieve symptomen, in welke mate deze patiënten in staat zijn te functioneren in de maatschappij. Daarom werd er de laatste jarenveel onderzoek uitgevoerd naar producten die cognitiebevorderende eigenschappen bezitten.
Nicotine is een product waarvan eerder gunstige cognitieve effecten zijn beschreven (Heishman ea 2010),
Dit onderzoek heeft als doel het effect van nicotine nauwkeurig af te lijnen met behulp van een uitgebreide testbatterij in een strikt methodologisch kader. Deze testbatterij bevat naast traditionele neurocognitieve maten, eveneens sociaal-cognitieve, psychomotorische en elektrofysiologische maten. Placebo, 1 mg en 2 mg nicotine werd toegediend bij 16 rokende en 16 niet-rokende patiënten met schizofrenieen 16 jongere en 16 oudere gezonde vrijwilligers.
Nicotine verbetert aandachtsfuncties, maar heeft geen effect op psychomotoriek, werkgeheugen en emotieherkenning in beide patiëntengroepen. Opmerkelijk is het nadelig effect van nicotine op enkele taken bij gezonde ouderen. Bij jongeren is er nagenoeg geen effect van nicotine. Tot slot verbeteren niet-rokende patiënten op beslissingsgedrag in een flexibelesociale context.
Referentie
Heishman, S., Kleykamp, B. & Singleton, E. (2010). Meta-analysis of the acute effects of nicotine and smoking on human performance. Psychopharmacology. 210, 453-469

Woensdag 19 september 2012, 13u45-15u15

S34   Gedwongen opname in Vlaanderen anno 2012
voorzitter Joris Vandenberghe

S34.0 Inleiding
Joris Vandenberghe
, psychiater, professor, docent UPC-KUL campus Gasthuisberg, Leuven / CGG Vlaams-Brabant Oost

Ondanks de maatschappelijke relevantie en grote individuele impact van gedwongen opname (GO), zijn epidemiologische gegevens over GO eerder schaars, en weinig betrouwbaar en vergelijkbaar. Data zijn vaak beperkt tot niet-gepubliceerde rapporten en databases, en werden vaak op een niet-systematische manier verzameld met een heterogeniteit aan definities en registratie-instrumenten. Ondanks dit gebrek aan systematiek wordt wel duidelijk dat een groot aantal Europese landen een toename kent van het aantal GO, vaak desondanks wetswijzigingen die net een afname tot doel hadden. Ook in België en Nederland neemt het aantal GO de voorbije decennia toe.
Om de systematiek van dataverzameling en daarmee de vergelijkbaarheid van data te verhogen, implementeerde de Zorginspectie van de Vlaamse Gemeenschap in 2007 een uniform registratie-instrument voor Vlaanderen. In opdracht van de zorginspectie voerden we een grondige analyse uit van de tot stand gekomen database (2007-2010) en deden we een exploratieve kwalitatieve analyse door middel van interviews met betrokken doelgroepen (patiënten, familieleden, registratoren, overheidsverantwoordelijken, psychiaters, ziekenhuisdirecties, magistraten, ombudspersonen).
Met dit symposium willen we de resultaten presenteren van de analyses en deze in perspectief plaatsen door te vergelijken met federale (1997-1998) en lokale data (Leuven 2000-2010). De drie luiken van onze bevindingen zijn:
1. Gedwongen opname in Vlaanderen, België en Nederland - een epidemiologische analyse
2. Sociaal-economische status van gedwongen opgenomen patiënten tussen 2000 en 2010
3. Resultaten van interviews omtrent ervaringen van patiënten, familieleden en andere betrokkenen over GO.

S34.1 Gedwongen opname in Vlaanderen, België en Nederland - een epidemiologische analyse
Katrien Schoevaerts
, ASO psychiatrie, wetenschappelijk medewerker UPC KULeuven
Ronny Bruffaerts, klinisch psycholoog, hoofddocent psychiatrie KU Leuven / onderzoeker, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven
Karen Van Landeghem, ASO psychiatrie, wetenschappelijk medewerker UPC KULeuven
Cornelis L. Mulder, KULeuven
Joris Vandenberghe, psychiater, professor, docent UPC-KUL campus Gasthuisberg, Leuven / CGG Vlaams-Brabant Oost

Doel
. De evolutie in incidentie van gedwongen opname (GO) in België en Nederland nagaan, door beschikbare epidemiologische gegevens te bundelen en analyseren.
. Onderzoeken van de epidemiologie van GO in Vlaanderen.
. Vergelijken van Vlaamse GO-data (N=15183; 2007-2010) met Belgische (FOD; N=7821; 1997-1998) en Leuvense data (UZLeuven; N=1501; 2000-2010).
Methode
. Systematisch literatuuronderzoek met nadruk op relevante epidemiologische gegevens (witte of grijze literatuur).
. Analyse van de Vlaamse GO-database. Beschrijvende statistiek, uni- en multivariate regressie-modellen en tijd-trend-modellen werden toegepast.
Resultaten
Incidentiecijfers GO nemen de laatste decennia toe in België en Nederland. Interlandelijke verschillen kunnen gedeeltelijk verklaard worden door verschillen in wetgeving. Meer gedetailleerde resultaten en regionale verschillen worden besproken. Epidemiologische gegevens van GO in Vlaanderen worden vergeleken met gegevens uit België en Leuven. De gegevens worden uitgesplitst naar socio-demografische profielen (bijv. geslacht/leeftijd vergelijkingen), psychiatrische stoornissen, gevaarscriteria, geassocieerde variabelen en temporele trends. Onze bevindingen worden geplaatst in een nationale en internationale context.
Conclusies
Onze gegevens wijzen op een significante toename van de incidentie van GO in België en Nederland. Uniformiteit en standaardisatie in registratie van GO is nodig om de vergelijkbaarheid en kwaliteit van gegevens te verbeteren. Dit is de eerste epidemiologische studie van GO in Vlaanderen gebaseerd op een grote en longitudinale database.

S34.2 De evolutie in sociaal-economische status van gedwongen opgenomen patiënten tussen 2000 en 2010
Ronny Bruffaerts
, klinisch psycholoog, hoofddocent psychiatrie KU Leuven / onderzoeker, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven
Katrien Schoevaerts, ASO psychiatrie, wetenschappelijk medewerker UPC KULeuven
Karen Van Landeghem, ASO psychiatrie, wetenschappelijk medewerker UPC KULeuven
Joris Vandenberghe, psychiater, professor, docent UPC-KULeuven campus Gasthuisberg / CGG Vlaams-Brabant Oost

Inleiding
Een lage sociaal-economische status (SES) is geassocieerd met psychische stoornissen en gedwongen opname (GO). De mate waarin deze verbanden cross-temporeel stabiel zijn is niet gekend.
Doelstellingen
1. Nagaan in welke mate SES predictief is voor de initiatie van GO.
2. Nagaan van multivariate verbanden tussen psychische stoornissen en GO.
3. In kaart brengen temporele trends van 1. en 2. tussen 2000 en 2010. Aan de hand van bivariate en multivariate modellen stellen we temporele trends voor in SES en GO, met psychische stoornissen en gebruik gezondheidszorgdiensten als covariaten.
Methode
Data zijn afkomstig van een groot epidemiologische onderzoek naar psychiatrische spoedaanmeldingen in het UZLeuven. Alle patiënten die zich aandienden op de psychiatrische spoedgevallendienst werden consecutief geïncludeerd. De subgroep van patiënten die tussen 2000 en 2010 gedwongen opgenomen werden (N=1053) op de spoedgevallendienst werd geanalyseerd.
Resultaten
De proportie gedwongen opgenomen patiënten steeg systematisch tussen 2000 en 2010 (p=.0140). Het aantal werkenden nam significant af (van 29.6% naar 15.8%). Dit was ook het geval, zij het in mindere mate, voor de samenwonenden (van 46.9% naar 40.0%). Meer gedetailleerde resultaten, verbanden tussen SES en psychische stoornissen worden gepresenteerd.
Conclusies
Onze data tonen een significante toename van het aantal GO, met temporele verschillen in SES-patronen. Implicaties op klinisch en beleidsmatig niveau worden besproken.

S34.3 Ervaringen van patiënten, familieleden van patiënten en andere betrokkenen over gedwongen opname: een kwalitatief onderzoek
Karen Van Landeghem,
ASO psychiatrie, wetenschappelijk medewerker UPC KULeuven
Ronny Bruffaerts, klinisch psycholoog, hoofddocent psychiatrie KU Leuven / onderzoeker, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven
Katrien Schoevaerts, ASO psychiatrie, wetenschappelijk medewerker UPC KULeuven
Joris Vandenberghe, psychiater, professor, docent UPC-KUL campus Gasthuisberg, Leuven / CGG Vlaams-Brabant Oost

Inleiding
Studies over de ervaringen van patiënten over gedwongen opname (GO) hebben zich o.a. gericht op de retrospectieve beoordeling over de juistheid van de beslissing tot GO, en de ervaren dwang tijdens hospitalisatie. De ervaringen van patiënten en hun familieleden over de juridische procedure zelf werden in België nooit in de diepte onderzocht.
Doelstellingen
1. We beogen systematisch de ervaringen van patiënten over GO te analyseren, met speciale aandacht voor hun visie op de juridische procedure van de GO in zijn verschillende deelaspecten.
2. We exploreren de ervaringen en visie van familieleden van patiënten en
3. van andere betrokkenen, zowel vanuit de medisch-psychiatrische als vanuit de juridische wereld, via eenzelfde methode, om zo tot een brede basis te komen van ervaringen van verschillende betrokkenen bij de toepassing van de procedure voor GO.
Methode
Kwalitatief onderzoek vertrekkende vanuit semi-gestructureerde interviews, wordt systematisch aangevuld met verzamelde opinies van patiënten- en familieorganisaties, en ombudspersonen. De interviews bij patiënten en familieleden worden ook geanalyseerd a.h.v. een hiërarchische klassenanalyse.
Resultaten
De opinie en ervaringen van patiënten, hun familieleden en stakeholders worden hoofdzakelijk voorgesteld vanuit een hiërarchisch perspectief waarin het belang en het gewicht binnen deze ervaringswereld onderscheiden wordt.
Conclusie
Systematisch kwalitatief onderzoek over de ervaringen van patiënten en hun familieleden over GO vormt een belangrijke bijdrage aan de patiëntenparticipatie over dit onderwerp.

Woensdag 19 september 2012, 13u45-15u15
S35   De toekomst van het gesticht. Over de wisselwerking tussen zorgvisie en architectuur
voorzitter Regis Verplaetse

S35.0 Inleiding
Regis Verplaetse
, architect, UR architects, Antwerpen

Vanaf de eerste ontwikkeling van de psychiatrische gestichten in de 19de eeuw bestond er een intieme relatie tussen geestelijke gezondheidszorg (ggz) en architectuur. Met hun ruimtelijke structuur legden deze instellingen de basis van de moderne psychiatrie. Sindsdien werden nieuwe zorgopvattingen en veranderende zorgrelaties steevast vertaald in nieuwe bouwprojecten. Het leverde een zeer rijk en gevarieerd patrimonium aan zorgerfgoed op waarin quasi elke bouwfase, elke stijlperiode andere zorgrelaties belichaamt. Haast alle aspecten van de zorg hebben invloed op en moeten geïntegreerd worden in architectuur, gaande van de ruimtelijke organisatievorm en typologie tot de materiaalkeuze en technische installaties. Maar ook omgekeerd oefent architecturaal ideeëngoed invloed uit op de zorg. Macht en kracht wordt in de zorg, ten goede of ten kwade, uitgeoefend in denken, handelen én bouwen. En de geschiedenis gaat voort. In Vlaanderen wordt de ggz nog steeds (en ook in de toekomst) in belangrijke mate verstrekt op en vanuit de oude gestichtsterreinen. De implementatie van artikel 107 heeft door de uitbouw van zorgcircuits en -netwerken een grote impact op de rol van de voormalige 'asielen' binnen de hele organisatie van de ggz.
Wat betekent dit voor de zorgrelaties van de toekomst? Voor de kwaliteit waarin de zorg wordt gehuisvest en de zorgvragers (en –verleners) verblijven? En welke meerwaarde kan de architectuur hier bieden?
Dit symposium wil een beeld schetsen van de geschiedenis en het erfgoed van de psychiatrische zorgarchitectuur, van de huidige toestand en belangrijkste pijnpunten, en van nieuwe architecturale denkrichtingen en ontwerpbenaderingen.

S35.1 Architectuur als meerwaarde
Katrien Vandermarliere
, tentoonstellingsmaker, Vlaams Architectuurinstituut, Antwerpen

Het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) wil de zorgsector sensibiliseren over het potentieel van architectuur. Immers staan veel zorgsites in Vlaanderen, veelal op 19de-eeuwse sites en met een verouderd gebouwenpatrimonium, voor een moeilijke transformatieopgave. Terreinen moeten heringericht, oude gebouwen voldoen niet aan hedendaagse noden en het ‘verzorgen’ zelf is op andere methodes gestoeld.
Het betreft niet alleen een discussie over bouwkundig erfgoed, subsidieregelingen, patrimonium en grond die een groot kapitaal vertegenwoordigen. Het raakt ook een meer complexe, maatschappelijke discussie over de toekomstige inrichting van die sites, die vaak als rustplek, groene long of lege infrastructuur een rol kunnen spelen in de ontwikkeling van een gemeente of stadsdeel. En niet in het minst betreft het ook de vraag hoe we onze visie over geestelijke gezondheidzorg in de gebouwde omgeving omzetten. Maar wij willen nog een stap verder gaan. Gebouwen zijn meer dan inerte omhulsels, ze beïnvloeden het welbevinden, de zintuigen, de sociale interacties. Goede ontwerpers kunnen, naast antwoord bieden op de functionele noden van hulpverleners, ook op zoek gaan naar en werken met die meer psychologische aspecten van hun beider disciplines. Een weldadige ruimte komt immers niet tot stand door een louter technische aanpak.
Het thema van de zorg is een langlopend aandachtspunt in het programma van het Vai, dat via gesprekken, deelname aan studiedagen en het opdragen van artikels voor diverse media aan de orde wordt gesteld. Enkele voorbeelden hieruit illustreren de meerwaarde van gedegen architectuur.

S35.2 Het Museum dr. Guislain
Patrick Allegaert
, artistiek leider, Museum dr. Guislain, Gent

Het Museum dr. Guislain is samen met het vormingscentrum en het psychiatrisch centrum gehuisvest in de gebouwen van het voormalige krankzinnigengesticht (gebouwd tussen 1852 en 1876 door professor Joseph Guislain in samenwerking met stadsarchitect Adolphe Pauli). Zoals het oorspronkelijke gesticht in zijn tijd een modelinrichting en architecturale referentie was, geldt het huidige gebruik van de site als een levendig voorbeeld van hoe zorgerfgoed aangepast kan worden aan hedendaagse eisen.
Het museum is vandaag een expertisecentrum op het vlak van de geschiedenis van de psychiatrie, de geestelijke gezondheidszorg en outsiderkunst. Het speelt een uitgesproken maatschappelijke rol in het uitdragen van de sociaal-culturele betekenis van het omgaan met psychiatrische stoornis.
De spreker zal schetsen hoe het originele instituut doorheen de tijd getransformeerd is, hoe het museum ontstaan is en welke relatie het vandaag onderhoudt met de gebouwen. Daarnaast illustreert hij hoe diverse verbanden tussen de perceptie op geestelijke (on)gezondheid en uitgesproken ruimtelijke kwesties zoals wonen, opsluiten enz. aan bod komen in het tentoonstellings- en evenementenprogramma van het museum. In het bijzonder behandelt hij de tentoonstelling ‘Hier woont mijn huis’ (zomer 2012) rond het werk van onder meer fotograaf Christopher Payne over de verlaten federale gestichten in de VS, dit in contrast met Vlaanderen, waar de meeste gestichtsterreinen hun zorgfunctie behouden. (Het Vlaamse zijluik van deze tentoonstelling komt aan bod in de lezing van Nikolaas Vande Keere en Regis Verplaetse, zie verder.)

S35.3 Zorgrelaties zijn ruimtelijk!
Gideon Boie
, architect, docent, onderzoeksbureau BAVO / Sint-Lucas Hogeschool

De reorganisatie van de ggz in zorgcircuits en –netwerken gebeurt tegen de achtergrond van de blijvende aanwezigheid van de psychiatrische gestichten. Isolatie, serene rust en concentratie vormen de stempel van een klinisch model waarin ongeacht het ziektebeeld een scherpe lijn getrokken is met het normale stedelijke weefsel. Enerzijds dwingen deze restanten uit het verleden de ggz om een alternatief aanbod te realiseren dat het gesticht overstijgt – door plaats te maken voor individuele zorgbehoeften, diverse behandelingsfasen en normale woonverlangens. Anderzijds kan de ggz niet zomaar haar omvangrijk historisch erfgoed uitwissen – in de eerste plaats om de aanzienlijke financiële en symbolische waarde die het materialiseert, maar evengoed omdat specifieke doelgroepen ook vandaag nood hebben aan isolatie.
De verandering die optreedt in de zorgrelaties kan en mag dus niet vervreemd worden van het ruimtelijke kader waarin de geestelijke gezondheidszorg aangeboden wordt. De uitdaging van de ggz vandaag ligt in het verbinden van de nieuwe verwachtingen omtrent zorg en het waardevolle historische patrimonium.
Aan de hand van enkele voorbeeldprojecten in Vlaanderen (PZ Sint-Norbertus Duffel; OPZ Rekem; PC Dr. Guislain Gent) tonen we hoe een intelligente ontmanteling van de oude gestichten mogelijkheden biedt op een normalisatie, integratie en omgekeerde vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg. De alternatieve ruimtelijke configuraties die hiermee ontstaan, hertekenen vanuit de praktijk de ruimtelijke zorgrelaties die uitgezet werden door Michael Foucault in ‘De geschiedenis van de waanzin in de zeventiende en achttiende eeuw’ (1961).

S35.4 Ontwerpmatig onderzoek
Nicolaas Vande Keere
, architect, UR architects, Antwerpen
Regis Verplaetse, architect, UR architects, Antwerpen

In navolging van hun onderzoek in Nederland verricht UR architects sinds begin 2012 een ontwerpmatig onderzoek naar de ontwikkelingsmogelijkheden van de historische instellingen in de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen (met steun van de Vlaamse Overheid). In de Vlaamse context, waarin de psychiatrische zorg nog steeds grotendeels gehuisvest is in de voormalige gestichten, is het vraagstuk van de aanpasbaarheid van de oude typologieën, gebouwen en terreinen zeer actueel. In welke mate kunnen behoud en ontwikkeling hier samengaan in antwoord op evoluerende zorgvisies?
Ze tonen de resultaten van dit onderzoek in twee delen. De analytische fase brengt de ontwikkeling in kaart van de bestaande Vlaamse gestichten op ruimtelijk vlak en wat betreft zorgopvatting. Hieruit worden de belangrijkste pijnpunten afgeleid voor de omgang met het psychiatrische zorgerfgoed. (Deze fase wordt in het bijzonder verricht aan de hand van twee casussen, PZ Sint-Amandus te Beernem en PC Sint-Jan-Baptist te Zelzate.)
In de ontwerpfase ontwikkelen ze nieuwe denkrichtingen en ontwerpbenaderingen voor aanpassing en transformatie. Aan de hand van exemplarische ontwerpvoorstellen op een reële voorbeeldlocatie tonen ze aan hoe het erfgoed door middel van het architecturale ontwerp kan getransformeerd worden om een buitengewone meerwaarde te bieden in de context van de vandaag nagestreefde zorgrelaties.
Met dit onderzoek willen de ontwerpers een innoverende visie opstellen die relevant is voor de meeste Vlaamse ggz-instellingen en aanverwante residentiële zorgsites.

Woensdag 19 september 2012, 13u45-15u15
S36   Familieparticipatie
voorzitter Marc Verheyen

S_36.0 Inleiding
Marc Verheyen
, coördinator, Familieplatform vzw, Heverlee

De geestelijke gezondheidszorg is volop in beweging, en in navolging van onze buurlanden wordt de komende tien jaar de overschakeling van een residentiële psychiatrie naar een meer gemeenschapsgerichte geestelijke gezondheidszorg gerealiseerd. De impact van deze en andere hervormingen op de gezinnen is groot en daarom moeten hun belangen des te meer verdedigd worden. Onderzoek en ervaring maakt immers duidelijk dat zij niet alleen een essentiële schakel zijn in de zorg, herstel of integratie van hun naaste met een psychische kwetsbaarheid, maar zelf ook een grote nood hebben aan informatie en ondersteuning in hun complexe taak als mantelzorger. Een grotere participatie en inspraak van familieleden in dit verhaal is dan ook wenselijk, en dit op de verschillende niveaus. Heel wat goede praktijken uit binnen- en buitenland kunnen inspireren en bijdragen aan een grotere ondersteuning en participatie van familie in de zorg. Samen met het overkoepelende Familieplatform Geestelijke Gezondheidszorg, delen de familieorganisaties in Vlaanderen hun kennis en laten zij de stem van familieleden horen rond diverse belangrijke thema’s.

S36.1 Korte kennismaking met vzw Familieplatform Geestelijke Gezondheid
Marc Verheyen
, coördinator, Familieplatform vzw, Heverlee

In 2011 slaan acht familieorganisaties in het domein van de geestelijke gezondheid de handen in elkaar en vormen sindsdien het Familieplatform Geestelijke Gezondheid vzw.

S36.2 Wandeling doorheen onderzoek en literatuur op het vlak van familieparticipatie
Lieven Dupont
, master in de klinische psychologie, studiedienst Familieplatform vzw, Heverlee

Belangrijke ingrediënten en aandachtspunten voor het realiseren van een gezinsvriendelijke geestelijke gezondheidszorg op de diverse niveaus: een overzicht van goede praktijken, knelpunten en aanbevelingen.

S36.3 Goede praktijkvoorbeelden in Vlaanderen: -Families participeren aan de projecten 107
Hilde Vanderlinden
, maatschappelijk werker, Similes vzw, Heverlee

De ervaringsdeskundige familievertegenwoordigers geven invulling aan hun groei van onmacht naar kracht vanuit vijf jaar praktijk.

S36.4 Goede praktijkvoorbeelden in Vlaanderen: - Evenwaardig in het zorgtraject
Ria Van Den Heuvel
, directrice, Centrum ZitStil, Antwerpen

Centrum ZitStil empowert gezinnen om naast de school en externe hulpverleners een evenwaardige en stevige rol op te nemen in de uitbouw van het zorgtraject voor hun kind met de ADHD-diagnose.

Woensdag 19 september 2012, 13u45-15u15
S37   Psychisch welbevinden en zorggebruik in nieuw samengestelde gezinnen: de eerste resultaten van het onderzoek ‘Scheiding in Vlaanderen’
voorzitter Piet Bracke

S37.0 Inleiding
Piet Bracke
, professor, voorzitter vakgroep sociologie, Universiteit Gent

Europa wordt gekenmerkt door een toename in het aantal echtscheidingen sinds de jaren ’60 en België is één van de koplopers (eurofound.europa.eu). In 2005 werden er in ons land 71 echtscheidingen per 100 huwelijken afgesloten. In totale cijfers zijn dat ongeveer 60.000 mensen die per jaar een scheiding doormaken. Deze ontwikkeling geeft aanleiding tot een sterke toename in de diversiteit van relatie- en gezinsvormen.
Vlaanderen voert een preventief gezondheidsbeleid om gezondheidswinst op bevolkingsniveau te realiseren en levenskwaliteit te verhogen. Een specifieke gezondheidsdoelstelling betracht het bewerkstelligen van een daling in het aantal depressies en zelfdodingen (http://www.zorg-en-gezondheid.be). Gezien het feit dat mensen met relatieproblemen en hun kinderen extra gevoelig blijken voor psychische problemen is het voor beleidsvoerders en professionele hulpverleners van cruciaal belang inzicht te krijgen in die factoren die deze risicogroep kwetsbaar maken. De ggz wordt steeds vaker geconfronteerd met deze specifieke doelgroep, maar lijkt niet gewapend om deze personen adequaat te begeleiden.
‘Scheiding in Vlaanderen’ (www.scheidinginvlaanderen.be) is een onderzoek bij de algemene Vlaamse bevolking naar de risicofactoren en gevolgen van echtscheiding overheen verschillende domeinen waaronder het psychisch welbevinden en het professionele zorggebruik.

S37.1 Het project ‘Scheiding in Vlaanderen’
Piet Bracke
, professor, voorzitter vakgroep sociologie, Universiteit Gent

Het consortium ‘Scheiding in Vlaanderen’ (SiV) is een samenwerking tussen de Vlaamse Universiteiten en de studiedienst van de Vlaamse regering. Het SiV-onderzoek is een onderzoek bij de algemene Vlaamse populatie. Het heeft tot doel om na te gaan wat in de algemene bevolking de belangrijkste beweegredenen, stressoren en bufferende factoren zijn van en bij echtscheiding.
Het is een multi-actor, multi-method onderzoeksproject: verschillende actoren werden bevraagd via een aantal gestandaardiseerde methodes. Zowel bij gehuwde als bij gescheiden koppels werden beide partners, een gemeenschappelijk kind, een ouder van elke partner en eventuele nieuwe partners bevraagd. Deze bevraging gebeurde in 2009 - 2010 bij meer dan 6.400 gehuwde en ooit gescheiden personen tussen 21 en 83 jaar, hun kinderen, ouders en nieuwe partners. Het feit dat verschillende actoren bevraagd werden binnen één familienetwerk laat toe eenzelfde fenomeen te bestuderen vanuit verschillende perspectieven. Ook het feit dat (groot)ouders en nieuwe partners erkend worden als belangrijke spelers inzake echtscheiding en de vorming van nieuwe relatie- en gezinsvormen is baanbrekend.
Bovendien werd niet alleen gepeild naar welzijn en zorggebruik, ook zaken als opleiding, inkomen, sociale steun, waarden, relatiegeschiedenis en gezinssamenstelling werden uitvoerig bevraagd. Dit geeft de unieke kans deze verschillende condities met elkaar in verband te brengen.‘Scheiding in Vlaanderen’ geeft een kijk op de geestelijke gezondheid en het belang van de ggz vanuit het perspectief van de algemene bevolking. Dit is uniek voor Vlaanderen. In deze inleidende bijdrage wordt ingegaan op het opzet van de survey, de rijkdom van de verzamelde gegevens en hun beschikbaarheid voor geïnteresseerde derden.

S37.2 SiV, mentale gezondheid, probleemdrinken en medicatiegebruik
Sara Symoens
doctoraatsstudent, vakgroep sociologie, Universiteit Gent

Een domein binnen het onderzoek ‘Scheiding in Vlaanderen’ peilt naar geestelijke gezondheid. Het psychisch welbevinden van de verschillende actoren werd op een multidimensionele en gender-neutrale wijze in kaart gebracht. Door te peilen naar zowel psychische problemen als psychische sterktes en competenties overstijgen we de eenzijdige, probleemgerichte benadering van mentale gezondheid. Internationaal gevalideerde schalen werden gebruikt voor het meten van levenstevredenheid, zelfwaardering en competentie, maar ook voor het meten van gevoelens van depressiviteit en angst in de Vlaamse populatie. Op deze wijze biedt SiV een belangrijke aanvulling op de huidige biomedisch-psychiatrische benadering van psychische gezondheid in de ggz. Tevens werd het problematisch gebruik van alcohol en psychofarmaca in kaart gebracht als belangrijke uitingsvormen van mentaal onwelbevinden.
Referentie
Symoens,S., Colman, E., Pasteels, Bracke, P. (2011). Welbevinden van (ex-)partners en kinderen. In: Mortelmans, Pasteels, Bracke, Matthijs, Van Bavel, Van Peer (eds.), Scheiding in Vlaanderen, 237-266. Leuven, Acco

S37.3 Zorggebruik omwille van sociale en emotionele problemen
Elien Colman
doctoraatsstudent, vakgroep sociologie, Universiteit Gent

De data van ‘Scheiding in Vlaanderen’ geven een kijk op de geestelijke gezondheid en het belang van de ggz vanuit het perspectief van de algemene bevolking. Er werd gepeild naar het gebruik van professioneel zorggebruik omwille van emotionele en sociale problemen. Tot wie wendt men zich? Hoe vaak? Heeft men het gevoel geholpen te zijn? Dit zijn enkele van de vragen waarop SiV een antwoord kan geven.
De resultaten tonen dat personen die een echtscheiding hebben meegemaakt, en vooral de alleenstaanden onder hen, vaker gebruik maken van maatschappelijke dienstverlening in verband met gezinnen en welzijn. Zij contacteren ook vaker professionele hulpverleners omwille van sociale of emotionele problemen. Dit geldt in het bijzondere voor de huisarts, die het belangrijkste aanspreekpunt is, maar ook voor psychologen, psychiaters en alternatieve geneeskundigen.
Daarnaast werd gepeild naar drempels die personen ervan weerhouden om professionele hulp te zoeken, en of personen die in sterke mate kunnen rekenen op hun sociale netwerk meer of minder gebruik maken van professionele hulp.
Referenties
Colman, E., Symoens, S. & Bracke, P. (2011). Zorggebruik. In: Mortelmans, Pasteels, Bracke, Matthijs, Van Bavel, Van Peer (eds.), Scheiding in Vlaanderen, 267-282. Leuven, Acco
Bracke, P., Colman, E., Symoens, S. & Van Praag, (2010), Divorce, divorce rates, and professional care seeking for mental health problems in Europe: a cross-sectional population-based study. BMC Public Health.  Vol.10, Pp. 224 doi:10.1186/1471-2458-10-224.

Woensdag 19 september 2012, 13u45-15u15
S38   Het optimaliseren van de afstemming met behulp van monitoring
voorzitter Nele Stinckens

S38.0 Monitoring in psychotherapie
Nele Stinckens
, professor, docent, onderzoekster, KULeuven

In dit symposium staan we stil bij de therapeutische mogelijkheden van monitoring. Monitoring is een methodiek waarbij op regelmatige basis cliëntfeedback wordt verzameld die direct wordt teruggekoppeld naar de therapeut. Door op systematische wijze de vinger aan de pols te houden van het therapieverloop, kan de afstemming tussen cliënt en therapeut worden geoptimaliseerd en de voortgang in therapie worden bevorderd. Een breedspectrum monitoringprotocol werd ontwikkeld – QIT online – dat zowel proces-, klimaat- als effectvariabelen systematisch in kaart brengt (Stinckens, Smits, Rober & Claes, 2012). Deze variabelen verschaffen op een heldere manier inkijk in aspecten van therapie waarvan werd aangetoond dat ze werkzaam zijn in alle therapieën, ongeacht het achterliggend theoretisch model of de gebruikte therapiebenadering.
Referentie
Stinckens, N., Smits, D., Rober, P. & Claes, L. (2012). Vinger aan de pols in psychotherapie. Monitoring als therapeutische methodiek. Leuven, Acco

S38.1 Monitoring als alliantiebevorderende methodiek
Nele Stinckens
, professor, docent, onderzoekster, KULeuven

In het laatste decennium werden talloze studies opgezet die het gunstig effect van monitoring op het behandelresultaat hebben aangetoond. Dit effectonderzoek werd door ons aangevuld met procesonderzoek dat inzicht verschaft in de werkzame mechanismen van monitoring (Smits, Dekker & Stinckens, 2012). In de eerste bijdrage wordt aangetoond en geïllustreerd op welke manier QIT online kan dienst doen als alliantiebevorderende methodiek.
Referentie
Smits, D., Dekker, J. & Stinckens, N. (2012). Een goed geoliede monitoringmachine: Wat werkt (niet)? In N. Stinckens, N., Smits, D., Rober, P. & Claes, L. (red.), Vinger aan de pols in psychotherapie. Monitoring als therapeutische methodiek. Leuven, Acco

S38.2 Het constructief hanteren van alliantiebarsten en –breuken
Dave Smits
, drs., onderzoeker, KULeuven

Procesonderzoek naar de werkingsmechanismen van monitoring suggereert dat monitoring voornamelijk de kwaliteit van de werkalliantie bevordert (Smits, Dekker & Stinckens, 2012). De systematische feedback ondersteunt en faciliteert het afstemmingsproces tussen therapeut en cliënt. Alliantiebarsten en –breuken kunnen zo in een vroeger stadium van therapie geïdentificeerd en (mogelijk) vermeden worden. Therapeuten vinden in de feedback ook handvatten en inspiratie om de alliantiemoeilijkheden op een constructieve, therapeutische wijze te hanteren. In deze tweede bijdrage presenteren we een recente studie waarin de invloed van monitoring op de werkalliantie op een systematische wijze wordt onderzocht.
Referentie
Smits, D., Dekker, J. & Stinckens, N. (2012). Een goed geoliede monitoringmachine: Wat werkt (niet)? In Stinckens, N., Smits, D., Rober, P. & Claes, L. (red.), Vinger aan de pols in psychotherapie. Monitoring als therapeutische methodiek. Leuven, Acco

S38.3 Monitoring in relatie- en gezinstherapie
Karine Van Tricht,
klinisch psychologe, gezinstherapeute, Epsi-unit, UPC KULeuven campus Leuven
Peter Roberklinisch psycholoog en gezinstherapeut, professor, Context UPC KULeuven campus Leuven /  faculteit geneeskunde, KULeuven

Ook in het veld van de relatie- en gezinstherapie (RGT) doet effect- en procesonderzoek naar monitoring zijn intrede. Er is beginnende evidentie voor de effectiviteit van monitoring (Anker, Duncan & Sparks 2009, 2010; Reese et al.2010) en men stelt zich de vraag hoe monitoring ervaren wordt (Anker et al. 2011) en hoe het komt dat het werkt (Sundet 2010, 2011a, 2011b). Zowel onderzoek als klinische implementatie van monitoring in RGT is complex.
We brengen verslag uit van onze eerste ervaringen met monitoring in RGT. Aan de hand van twee casussen (een gezinstherapie en een koppeltherapie) illustreren we het keuzeproces in instrumentarium, de introductie van monitoring in de therapie en het feedbackgestuurde verloop van de therapie. De monitoringinstrumenten fungeren daarbij als conversational tools die het gesprek op gang brengen over de wijze waarop de cliënten hun therapie, de sessies en de onderlinge (samenwerkings)relaties ervaren.
Referentie
Van Tricht, K. & Rober, P. (2012). Monitoring in Relatie- en Gezinstherapie. In Stinckens, N., Smits, D., Rober, P. & Claes, L. (red.), Vinger aan de pols in psychotherapie. Monitoring als therapeutische methodiek. Leuven, Acco

Woensdag 19 september 2012, 13u45-15u15
S39   Therapie en school: uitdagingen en valkuilen bij jongeren met een eetstoornis
voorzitter Walter Vandereycken

S39.0 Inleiding
Walter Vandereycken
, psychiater, professor, PK Broeders Alexianen, Tienen

Prestatiedrang en perfectionisme spelen vaak een belangrijke rol in het ontstaan en bestendigen van een eetstoornis. Als een kliniekopname noodzakelijk wordt is de onderbreking van de studies enerzijds een hindernis om zo’n opname te aanvaarden en kan dit anderzijds de behandeling vertroebelen vanuit de angst teveel achterop te raken met het studeren. Toch is het essentieel om deze thematiek tijdens een opname aan te pakken en hier biedt de ziekenhuisschool bijzondere leermogelijkheden. Dit symposium illustreert dit vooral met concrete voorbeelden.

S39.1 Prestatiedrang en perfectionisme bij eetstoornissen
Katrien Scheers
, psycholoog, PK Broeders Alexianen, Tienen

Het negatieve zelfbeeld van eetstoornispatiënten wordt vaak weerspiegeld in hun faalangst, gekoppeld aan een perfectionistische instelling. Dit kan op school en daarbuiten leiden tot zowel actieve als passieve vermijding, of een combinatie van beide. Ook tijdens een intensieve residentiële behandeling kan het perfectionisme van eetstoornispatiënten een bijzondere valkuil vormen. Daarom achten wij het belangrijk dat patiënten zowel het eetprobleem op zich als hun perfectionisme tot focus van hun behandeling maken. Met voorbeelden tonen we hoe, zowel in de therapieën als in de ziekenhuisschool, patiënten tijdens hun opname worden uitgedaagd om hun perfectionisme en prestatiedrang aan te pakken.

S39.2 Plaats van de ouders en de school bij jongeren met een eetstoornis
Sien Degelin
, orthopedagoog, Ziekenhuisschool UZLeuven, Leuven

Heel wat jongeren met een eetstoornis gaan gebukt onder de uiterlijke schijn van ‘perfecte dochter’ en ‘perfecte leerling’, waaraan ze ten koste van zichzelf willen blijven voldoen. Ouders en schoolklimaat kunnen (ongewild) bijdragen tot de ontwikkeling van extreem perfectionisme en faalangst.
In deze bijdrage presenteren we concrete handvatten voor hoe zorgfiguren, zoals ouders en leerkrachten, kunnen omgaan met diverse uitingen van perfectionisme en faalangst. Gezien perfectionisme een belangrijke risicofactor is voor terugval, wordt er in samenwerking met de thuisschool en het clb een haalbaar zorgplan opgesteld bij het beëindigen van de opname. Dit illustreert het belang van een goede communicatie en informatieoverdracht tussen het behandelteam, de ziekenhuisschool, en alle andere betrokken partijen.

S39.3 De kliniek en de ziekenhuisschool: een ‘therapieschool’?
Wendy Donders
, psycholoog, PK broeders Alexianen, Tienen

Een langdurige opname vormt voor vele jongeren een drempel uit angst voor schooluitval. Voor veel jongeren met een eetstoornis is de angst om een schooljaar te verliezen een belangrijke motivator om een opname (te lang) uit te stellen. Zij ervaren een hoge, interne en/of externe, druk om te presteren op o.a. schools gebied. Dit kan er anderzijds ook toe leiden dat sommige patiënten via een opname de school vermijden. Deelname aan de ziekenhuisschool biedt bijzondere mogelijkheden om perfectionisme en faalangst bij eetstoornispatiënten te observeren en te remediëren. In september 2011 zijn we gestart met een proefproject, waarbij de ziekenhuisschool geïntegreerd is in het therapieprogramma. Jongeren kunnen op deze manier hun faalangst en perfectionisme aanpakken tijdens hun residentiële opname. Aan de hand van casussen presenteren we de resultaten van een evaluatie na een proefproject van een jaar.